Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Structuur
     
Structuur
Select an indicator
Standaardverdiencapaciteit - Land- en tuinbouw

Grote en toenemende verschillen in bedrijfsomvang
11/6/2019

De bedrijfsomvang van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven loopt sterk uiteen, van een grote groep zeer kleine bedrijven (35% van alle bedrijven in 2018, zie figuur) tot een kleine groep zeer grote bedrijven (9% in 2018). De eerste groep vertegenwoordigt slechts 2% van de totale toegevoegde waarde (op basis van de Standaardverdiencapaciteit – SVC), terwijl de tweede groep goed is voor 51%. Verder is op de zeer grote bedrijven, met een zwaartepunt in de glastuinbouw, een belangrijk deel van de werkgelegenheid (37% van het arbeidsvolume in 2018) geconcentreerd. De groep grote bedrijven heeft veel (40% in 2018) van de cultuurgrond in gebruik.




Tussen 2010 en 2018 is het aantal zeer kleine en kleine bedrijven sterk gedaald (-56%) en het aantal grote en zeer grote bedrijven fors toegenomen (+48%). In 2016 is de ontwikkeling (eenmalig) versneld door de veranderingen in de registratie van de land- en tuinbouwbedrijven, waardoor veel (zeer) kleine bedrijven uit de registratie zijn verdwenen. Overigens blijft het aantal zeer kleine bedrijven relatief groot (35% in 2016 en 2018). Instroom vindt plaats door afbouwende bedrijven. De (zeer) kleine bedrijven zijn minder afhankelijk van het inkomen uit de bedrijfsactiviteiten door inkomsten van buiten bedrijf, zoals uit arbeid, bezittingen en uitkeringen (bijvoorbeeld AOW).

Veel ‘zeer kleine’ bedrijven binnen de akkerbouw
De Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven behoren in hoofdzaak (68% in 2018) tot de (meer) grondgebonden bedrijfstypen akkerbouw-, melkvee- en overige graasdierbedrijven. Vrijwel alle overige graasdierbedrijven en de helft van de akkerbouwbedrijven worden op basis van de verdiencapaciteit (SVC) als ‘zeer klein’ aangeduid (figuur). Veelal zijn dat bedrijven van oudere ondernemers die inmiddels in feite zijn gestopt met hun bedrijf, maar nog wat grond of dieren aanhouden en daardoor in de statistieken opgenomen blijven. In de melkveehouderij ligt het zwaartepunt bij de middelgrote en grote bedrijven, en in de glastuinbouw bij de zeer grote bedrijven. De andere bedrijfstypen – overige tuinbouw-, intensieve veehouderij- en gecombineerde bedrijven – kennen een meer gelijkmatige bedrijfsgrootteverdeling.

Standaardverdiencapaciteit (SVC) – een maat voor de economische omvang
Om de verschillende soorten agrarische bedrijven te kunnen vergelijken, kon tot 2010 de Nederlandse grootte-eenheid (nge) worden gebruikt. In 2010 is deze maat voor de economische omvang - saldo van opbrengsten en specifieke kosten van agrarische activiteiten - vervangen door de Standaardopbrengst (SO). Het nadeel van de SO is dat het een maatstaf is voor de omzet, die geen inzicht geeft in de beloning die resteert voor de agrarische activiteiten. Die beloning kan sterk verschillen tussen de sectoren: een akkerbouwer houdt bijvoorbeeld veel meer over van 100 euro opbrengsten dan een varkenshouder. Die akkerbouwer kan bijvoorbeeld met een opbrengst van 300.000 euro een inkomen halen waar een varkenshouder meer dan een miljoen euro aan opbrengsten voor nodig heeft. Daarom is naast de SO een nieuw Nederlands kengetal ontwikkeld, de Standaardverdiencapaciteit (SVC), die een maatstaf is voor de toegevoegde waarde. De SVC van een bedrijf geeft de vergoeding van arbeid en kapitaal weer op basis van standaarden, ongeacht wie arbeid of kapitaal levert. Een bedrijf met een SVC van minder dan 25.000 euro wordt aangemerkt als een zeer klein bedrijf. Een dergelijke omvang vergt een normatieve arbeidsbehoefte van minder dan 0,75 aje (arbeidsjaareenheid), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. Voor de zeer grote bedrijven (meer dan 250.000 euro SVC) geldt dat ze werkgelegenheid kunnen bieden aan meer dan 5 aje tegen een gemiddelde vergoeding.


Melkvee en glastuinbouw goed voor ruim de helft verdiencapaciteit
De verdiencapaciteit van de primaire land- en tuinbouw bedraagt 6,5 miljard euro (in 2018), waarvan 55% voor rekening komt van de melkvee- en glastuinbouwbedrijven. Binnen de glastuinbouw komt 93% van de verdiencapaciteit van de zeer grote bedrijven. Ook in de overige tuinbouwsectoren - zoals de boomkwekerij en bloembollen – zijn de zeer grote bedrijven goed voor het merendeel van de verdiencapaciteit.

Sterke toename bedrijfsomvang glastuinbouw
De gemiddelde bedrijfsomvang is gestegen van 68.000 in 2010 tot 120.000 euro SVC in 2018 (+76%). In de glastuinbouw nam de gemiddelde verdiencapaciteit in deze periode toe met een factor 2,3 tot 716.000 euro SVC. Binnen de overige bedrijfstypen (met uitzondering van de overige graasdieren) lag de toename tussen 40% in de akkerbouw en bijna 70% in de melkveehouderij. De ontwikkeling van de gemiddelde verdiencapaciteit hangt samen met de beëindiging van vooral kleinere bedrijven, de ontwikkeling van de fysieke bedrijfsomvang (areaal/dieren) en de ontwikkeling van de bedrijfsresultaten.

Merendeel (zeer) kleine bedrijven heeft bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar
De bedrijven met een ouder bedrijfshoofd (ouder dan 65 jaar) zijn over het algemeen vrij klein: 76% behoort tot de kleine tot zeer kleine bedrijven (figuur). Van de bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 tot 65 jaar is 51% klein tot zeer klein; van de bedrijven met een bedrijfshoofd jonger dan 55 jaar valt 40% in de categorie klein tot zeer klein. Tot deze laatste categorie behoren vooral overige graasdierbedrijven en akkerbouwbedrijven. Naast inkomen uit bedrijf, zijn er inkomsten van buiten het bedrijf, zoals uit arbeid/baan, werk voor derden.

Toelichting
Deze gegevens hebben betrekking op bedrijven met als rechtsvorm een natuurlijk persoon in de vorm van een eenmanszaak of van een samenwerking, zoals een maatschap of vennootschap onder firma (vof). Van de samenwerkingsvormen is alleen de leeftijd van één ondernemer bekend. Dat is ofwel degene met de grootste zakelijke en bedrijfsmatige verantwoordelijkheid, ofwel de oudste bij gelijke verantwoordelijkheid. Naast de persoonlijke ondernemingen zijn er in 2018 ruim 4.200 rechtspersonen in de primaire land- en tuinbouw, vrijwel zonder uitzondering besloten vennootschappen (bv’s). Daarvan behoort 41% tot de zeer grote bedrijven. Deze groep rechtspersonen met een zeer grote bedrijfsomvang bestaat voor 53% uit glastuinbouwbedrijven, 22% uit overige tuinbouwbedrijven en voor 15% uit intensieve veehouderijbedrijven.


Kies een sector
Contactpersoon
Walter van Everdingen
070-3358312
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
Meer informatie over SO, SVC of NSO-typering is opgenomen in de notities over de NSO-typering die beschikbaar zijn op de website van Wageningen Economic Research. Daar is ook een link opgenomen naar een rekenmodule, waarmee u zelf kunt rekenen aan de kengetallen.

Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page