Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Structuur
     
Structuur
Select an indicator
Standaardverdiencapaciteit - Land- en tuinbouw

Grote en toenemende verschillen in bedrijfsomvang
9/28/2018

De bedrijfsomvang van de Nederlandse land- en tuinbouwbedrijven loopt sterk uiteen, van een grote groep zeer kleine bedrijven (34% van alle bedrijven in 2017, zie figuur 1) tot een kleine groep zeer grote bedrijven (9% in 2017). De eerste groep vertegenwoordigt slechts 2% van de totale toegevoegde waarde (op basis van de Standaardverdiencapaciteit – SVC), terwijl de tweede groep goed is voor 50%. Verder is op de zeer grote bedrijven een belangrijk deel van de werkgelegenheid (37% van het arbeidsvolume in 2017) geconcentreerd. De groep grote bedrijven heeft juist veel (41% in 2017) van de cultuurgrond in gebruik. 





Tussen 2010 en 2017 is het aantal zeer kleine en kleine bedrijven sterk gedaald (-56%) en het aantal grote en zeer grote bedrijven fors toegenomen (+53%) (zie figuur in bijlage, B1). In 2016 is de ontwikkeling (eenmalig) versneld door de veranderingen in de registratie van de land- en tuinbouwbedrijven, waardoor veel (zeer) kleine bedrijven uit de registratie zijn verdwenen.



Standaardverdiencapaciteit (SVC) – een maat voor de economische omvang
Om de verschillende soorten agrarische bedrijven te kunnen vergelijken, kon tot 2010 de Nederlandse grootte-eenheid (nge) worden gebruikt. In 2010 is deze maat voor de economische omvang - saldo van opbrengsten en specifieke kosten van agrarische activiteiten - vervangen door de Standaardopbrengst (SO). Het nadeel van de SO is dat het een maatstaf is voor de omzet, die geen inzicht geeft in de beloning die resteert voor de agrarische activiteiten. Die beloning kan sterk verschillen tussen de sectoren: een akkerbouwer houdt bijvoorbeeld veel meer over van 100 euro opbrengsten dan een varkenshouder. Die akkerbouwer kan bijvoorbeeld met een opbrengst van 300.000 euro een inkomen halen waar een varkenshouder meer dan een miljoen euro aan opbrengsten voor nodig heeft. Daarom is naast de SO een nieuw Nederlands kengetal ontwikkeld, de Standaardverdiencapaciteit (SVC), die een maatstaf is voor de toegevoegde waarde. De SVC van een bedrijf geeft de vergoeding van arbeid en kapitaal weer op basis van standaarden, ongeacht wie arbeid of kapitaal levert. Een bedrijf met een SVC van minder dan 25.000 euro wordt aangemerkt als een zeer klein bedrijf. Een dergelijke omvang vergt een normatieve arbeidsbehoefte van minder dan 0,75 aje (arbeidsjaareenheid), tenzij de arbeid duidelijk minder efficiënt of tegen een lagere vergoeding dan gemiddeld wordt ingezet. Voor de zeer grote bedrijven (meer dan 250.000 euro SVC) geldt dat ze werkgelegenheid kunnen bieden aan meer dan 5 aje tegen een gemiddelde vergoeding.



Melkvee en glastuinbouw goed voor ruim de helft verdiencapaciteit
De verdiencapaciteit van de primaire land- en tuinbouw bedraagt 6,5 miljard euro (in 2017), waarvan 55% voor rekening komt van de melkvee- en glastuinbouwbedrijven. Binnen de glastuinbouw komt 92% van de verdiencapaciteit van de zeer grote bedrijven. Ook in de overige tuinbouwsectoren - zoals de boomkwekerij en bloembollen – zijn de zeer grote bedrijven goed voor het merendeel van de verdiencapaciteit.

Sterke toename bedrijfsomvang glastuinbouw
De gemiddelde bedrijfsomvang is gestegen van 68.000 in 2010 tot 119.000 euro SVC in 2017 (+74%). In de glastuinbouw verdubbelde de gemiddelde verdiencapaciteit in deze periode; binnen de overige bedrijfstypen (met uitzondering van de overige graasdieren) lag de toename tussen ruim 40% in de akkerbouw en bijna 70% in de melkveehouderij. De ontwikkeling van de gemiddelde verdiencapaciteit hangt samen met de beëindiging van vooral kleinere bedrijven, de ontwikkeling van de fysieke bedrijfsomvang (areaal/dieren) en de ontwikkeling van de bedrijfsresultaten.

Merendeel (zeer) kleine bedrijven heeft bedrijfshoofd ouder dan 65 jaar
De bedrijven met een ouder bedrijfshoofd (ouder dan 65 jaar) zijn over het algemeen vrij klein: 76% behoort tot de kleine tot zeer kleine bedrijven (figuur 3). Voor de bedrijven met een bedrijfshoofd van 55 tot 65 jaar geldt dat voor ruim de helft; voor de bedrijven met een bedrijfshoofd jonger dan 55 jaar is dat 40%.




Deze gegevens hebben betrekking op bedrijven met als rechtsvorm een natuurlijk persoon in de vorm van een eenmanszaak of van een samenwerking, zoals een maatschap of vennootschap onder firma (vof). Van de samenwerkingsvormen is alleen de leeftijd van één ondernemer bekend. Dat is ofwel degene met de grootste zakelijke en bedrijfsmatige verantwoordelijkheid, ofwel de oudste bij gelijke verantwoordelijkheid. Naast de persoonlijke ondernemingen zijn er in 2017 4.200 rechtspersonen in de primaire land- en tuinbouw, vrijwel zonder uitzondering besloten vennootschappen (bv’s). Daarvan behoort ruim 40% tot de zeer grote bedrijven. De groep rechtspersonen met een zeer grote bedrijfsomvang bestaat voor 54% uit glastuinbouwbedrijven, 21% uit overige tuinbouwbedrijven en voor 15% uit intensieve veehouderijbedrijven.


Kies een sector
Contactpersoon
Walter van Everdingen
070-3358312
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
Meer informatie over SO, SVC of NSO-typering is opgenomen in de notities over de NSO-typering die beschikbaar zijn op de website van het LEI. Daar is ook een link opgenomen naar een rekenmodule, waarmee u zelf kunt rekenen aan de kengetallen.

Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page