Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Duurzaamheid
     
Duurzaamheid
Select an indicator
Beschouwing milieudruk - Land- en tuinbouw

Milieudruk land- en tuinbouw
1/25/2021

De productie van de primaire land- en tuinbouw heeft effect op bodem, lucht en water. Deze milieudruk is zichtbaar en meetbaar via verschillende indicatoren. Daaruit blijkt een grote variëteit in de ontwikkeling per milieu-indicator (zie grafiek 1). Op fijnstof na is de milieudruk afgenomen in de periode 2000-2018. Voor gewasbeschermingsmiddelen kan – vanwege een andere databron (zie toelichting onder figuur)  – geen vergelijking worden gemaakt ten opzichte van het jaar 2000 en is het beginjaar van de reeks 2010; in de periode 2010-2018 is de afzet van gewasbeschermingsmiddelen licht gedaald. Ook voor de andere indicatoren is er in de periode 2010-2018 sprake van een afname van de milieudruk, de uitzondering hierop is het stikstofoverschot per ha. Dit overschot nam toe.
De daling van de milieubelasting ging gepaard met een groei van de agrarische output (gemeten in bruto productiewaarde) in de periode 2010-2018. Deze groei is voor een groter deel toe te schrijven aan een stijging van de prijzen dan aan een stijging van het volume van de productie. Hieronder wordt voor de verschillende milieuthema’s nader ingegaan op de ontwikkeling van de milieudruk.


Toelichting tijdreeks gewasbescherming: De afzetcijfers van gewasbeschermingsmiddelen waren voorgaande jaren gebaseerd op de afzetgegevens die Nefyto naar buiten brengt. Deze cijfers worden tegenwoordig door het CBS naar buiten gebracht, op basis van gegevens die Stichting Fytostat verzamelt bij alle bij Nefyto aangesloten bedrijven die in Nederland gewasbeschermingsmiddelen op de markt brengen. De Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) vult dit aan met de circa 5 procent van de totale afzet, die niet door Nefyto-leden op de markt wordt gebracht (bron: CBS). De afzetgegevens liggen daarom op basis van de CBS-cijfers hoger dan voorheen op basis van de Nefyto-cijfers.

Ammoniakemissie
De landbouwsector is met een aandeel van circa 85% de belangrijkste bron voor de emissie van ammoniak; ammoniak komt vrij in stallen en bij de aanwending en opslag van (kunst)mest. De ammoniakemissie uit stallen en bij de opslag van dierlijke mest vormt het leeuwendeel van de ammoniakemissie. Sinds 2010 is de ammoniakemissie vrijwel stabiel op een niveau rond de 110-115 mln. kg. In vergelijking met het jaar 2000, toen de uitstoot 158 mln. kg bedroeg is er sprake van een forse afname. De daling sinds 2000 is vooral toe te schrijven aan een toename van het aantal emissiearme stallen in de intensieve veehouderij en aan een afname van de aanwending van dierlijke mest in de Nederlandse land- en tuinbouw, doordat er meer mest wordt geëxporteerd.
Voor de periode 2020-2030 is in EU-verband een afname van de ammoniakemissie uit alle bronnen afgesproken van 13% ten opzichte van 2005 (133 mln. kg). Deze doelstelling is in Nederland al gehaald (Balans van de Leefomgeving, 2018). De stikstofdepositie mede als gevolg van de ammoniakemissie is in Nederland echter te hoog om biodiversiteitsdoelen te realiseren. Ook al heeft de Nederlandse landbouwsector de emissies sinds 1990 meer dan gehalveerd, de ammoniakemissie bedraagt per hectare landbouwgrond nog 60 kg ammoniak en is daarmee de hoogste in de EU (CLO). Op 13 november 2019 heeft het kabinet voor de landbouw twee maatregelen afgekondigd die op korte termijn zouden moeten leiden tot een daling van de stikstofdepositie. De eerste maatregel betrof ammoniakreductie via voermaatregelen. Veevoer bevat vaak meer eiwit dan een dier nodig heeft, wat leidt tot meer ammoniak in de urine en mest. Deze voermaatregel is uiteindelijk niet ingevoerd, de reductie in stikstof op basis van de maatregel werd te gering geacht (LNV, 2020a).
De tweede maatregel is een krimp van de veestapel via een warme saneringsregeling voor de varkenshouderij (LNV, 2019). Deze saneringsregeling stond al op stapel voor de uitspraak van de Raad van State over het Programma Aanpak Stikstof (PAS) van 29 mei 2019 die leidde tot de stikstofcrisis, met vooral als doel om geuroverlast in veedichte gebieden (concentratiegebieden Zuid en Oost) te verminderen. De uitspraak van de Raad van State heeft geleid tot een verhoging van het budget met 275 mln. naar 455 mln. euro. Daarmee konden alle bedrijven die een aanvraag hadden ingediend en aan de eisen voldeden worden opgekocht (Rvo.nl, 2020).
In februari en april zijn door het ministerie van LNV verdere maatregelen aangekondigd, zowel gericht op de bron (zogenaamde bronmaatregelen als meer uren weidegang en het verdunnen van mest met water) als meer gebiedsgerichte maatregelen (LNV, 2020b, 2020c). Tot de laatste behoren de in november 2020 gepubliceerde Regeling gerichte opkoop veehouderijen op basis waarvan provincies budget krijgen om veehouderijbedrijven met een hoge stikstofuitstoot (de zogenaamde piekbelasters) en gelegen binnen een straal van 10 km van Natura 2000-gebieden, op te kopen. De regeling is gebaseerd op vrijwillige deelname van de betrokken bedrijven. Voor 2021 is een tweede vrijwillige opkoopregeling voorzien, de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, die ook open wordt gesteld voor bedrijven die niet in de categorie piekbelasters vallen (Rijksoverheid, 2020).

Meer informatie: ammoniakemissie
Meer informatie: veestapel en productierechten

Gewasbeschermingsmiddelengebruik
De afzet van gewasbeschermingsmiddelen schommelt al jaren rond de 10 miljoen kg werkzame stof per jaar. In 2018 lag de afzet op 9,3 miljoen kg, wat ruim 11% minder is dan in 2017. Van de gebruikte middelen is ruim 45% een fungicide (schimmelbestrijding), circa 30% herbicide (middel tegen onkruid, waaronder glyfosaat) en circa 20% is overige middelen. Daartoe behoren met name grondontsmettingsmiddelen en minerale oliën. De schommelingen in het gebruik hangen sterk samen met het weer: zo is in jaren met vochtige zomers de schimmeldruk hoger dan in droge jaren. Ook een koude en daardoor trage start van het teeltseizoen beïnvloedt het gebruik, omdat de ontwikkeling van ziekten- en plagen dan traag op gang komt. Van de totale afzet van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland is ongeveer 98% voor gebruik in de land- en tuinbouw. De rest wordt gebruikt door particulieren of door beheerders van het openbaar groen. Het betreft hier vaak onkruidbestrijdingsmiddelen.
Naast het gebruik in absolute hoeveelheden, is de milieubelasting van de gebruikte middelen per kg actieve stof een belangrijke graadmeter. Gegeven de maatschappelijke zorg over de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de leefomgeving en de gezondheid van mens en dier, is er in 2014 een Green Deal Groene Gewasbeschermingsmiddelen gesloten (Ctgb, 2020). Groene gewasbeschermingsmiddelen zijn middelen van natuurlijke oorsprong met een ingeschat laag risico voor mens, dier, milieu en niet-doelwit organismen; zoals:
• planten, dieren, micro-organismen
• bepaalde mineralen
• nagemaakte middelen die identiek zijn aan de natuurlijke stof.
In Nederland waren begin 2020 zeventien laagrisicomiddelen en veertig middelen op basis van micro-organismen toegelaten (Ctgb). Dit aantal is nog te weinig om de afgenomen beschikbaarheid van chemische middelen op te vangen. Als gevolg van de herbeoordeling op EU-niveau van actieve stoffen die worden gebruikt voor gewasbeschermingsmiddelen, is het aantal actieve stoffen gedaald van meer dan 1.000 naar circa 500. Daarvan bestaat ongeveer 25% uit micro-organismen, feromonen en plantenextracten, die als laag-risico stoffen worden beoordeeld (Nefyto, 2018).
Uit de door Nefyto ontwikkelde Graadmeter Groene Gewasbescherming blijkt dat de afzet van zogenaamde groene gewasbeschermingsmiddelen toe is genomen. In 2008 was het aandeel 6,7%, in 2018 lag het op 12% (Nefyto, 2019).
Voor de Graadmeter Groene Gewasbescherming heeft Nefyto gekeken naar de afzet van:
• gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt mogen worden in de biologische land- en tuinbouw
• gewasbeschermingsmiddelen van natuurlijke oorsprong
• gewasbeschermingsmiddelen die officieel als laag-risico zijn erkend.
Voor het komende decennium is een vrij ingrijpende omslag nodig in de praktijk van gewasbescherming. Het ministerie van LNV heeft dit geformuleerd in het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030 en beoogt een transitie te realiseren naar een weerbare teelt, verbonden met de natuur, en nagenoeg zonder emissie naar het milieu en residu op het product (LNV, 2020d). Weerbaarheid van planten en teeltsystemen staat in dit beleidsstuk centraal en (chemische) gewasbeschermingsmiddelen functioneren dan slechts als correctiemiddel. Daar is nog veel innovatie en kennis voor nodig, maar zal volgens plan tot een sterke reductie van de milieubelasting uit gewasbeschermingsmiddelen leiden. Hoe dit georganiseerd moet worden is onderzocht door Bremmer et al. (2020).

Meer informatie: milieubelasting
Meer informatie: afzet gewasbeschermingsmiddelen

Uitstoot broeikasgassen

De uitstoot van broeikasgassen is fors gedaald sinds 1990, maar de laatste jaren redelijk stabiel. In 2018 was de uitstoot circa 26,5 Mton CO2-equivalenten, iets lager dan in 2017 en ruim 20% lager dan in 1990. Van deze uitstoot is 8,2 Mton CO2-equivalenten toe te schrijven aan energieverbruik in met name de glastuinbouw.
Het aandeel van de land- en tuinbouw in de totale broeikasgasemissies in Nederland ligt rond de 17%. In de Klimaat- en energieverkenning 2020 (PBL, 2020) is de verwachting dat de totale uitstoot van broeikasgassen van de agrosector in 2030 uitkomt op 24,5 Mton CO2-equivalenten (binnen een bandbreedte van 21,9 tot 25,6 Mton CO2-equivalenten). Dat is 25% lager dan in 1990 aldus de verkenning.
In het Klimaatakkoord is een additionele taakstelling voor 2030 vastgelegd voor de landbouw- en landgebruiksectoren. Het gaat om een additionele afname van 3,5 Mton broeikasgasemissies bovenop bestaand beleid. Dit betekent dat voor 2030 de uitstoot door landbouw en landgebruik in 2030 nog maximaal 27,6 Mton CO2-eq. mag bedragen (PBL, 2018).
Voor de glastuinbouw geldt de Meerjarenafspraak Energietransitie Glastuinbouw 2014-2020 (EZ, 2014). Het oorspronkelijke CO2-doel (6,2 Mton in 2020) is in 2017 bijgesteld naar 4,6 Mton vanwege krimp van het areaal glas en minder verkoop van elektriciteit. De totale CO2-emissie van de glastuinbouw ligt met 5,9 Mton in 2019 1,3 Mton boven het actuele doel (Van der Velden en Smit, 2020a). Omdat na 2017 zowel het areaal als de verkoop van elektriciteit niet is afgenomen maar toegenomen, bestaat de mogelijkheid dat het actuele doel opnieuw technisch wordt gecorrigeerd.
In de periode 2010-2014 daalde de CO2-emissie substantieel. Dit kwam vooral door krimp van het areaal, minder verkoop van elektriciteit en vermindering van het energiegebruik per m2 kas. Sinds 2014 leidde een groeiend energiegebruik per vierkante meter en een grotere elektriciteitsproductie voor de verkoop tot een toename van de CO2-emissie (Van der Velden en Smit, 2019). De CO2-emissie van de glastuinbouw lag in 2019 14% onder het niveau van 1990. In geheel Nederland was dat 4%. De glastuinbouw doet het bij het terugdringen van de CO2-emissie dus beter dan Nederland als geheel. Voor 2020 wordt de emissie geraamd op 6,0 Mton (Van der Velden en Smit, 2020b).

Meer informatie: broeikasgasemissie

Stikstof- en fosfaatoverschot
De overschotten stikstof en fosfaat zijn de laatste decennia per ha zeer sterk afgenomen als gevolg van export van mest, afname van kunstmestgebruik en lagere fosfaatgehalten in voer en daarmee in de mest. De cijfers voor 2018 geven echter voor zowel stikstof als fosfaat een stijging aan van het overschot per ha. Voor fosfaat is dit een gevolg van de extreme droogte, waardoor in de akkerbouw de gewasopbrengsten en daarmee ook de onttrekking van fosfaat aan de bodem, fors lager uitvielen. In de melkveehouderij werd meer fosfaat via het voer aangevoerd: er moest vanwege de matige gewasgroei meer voer worden aangekocht. De droogte speelt ook een belangrijke rol in de hogere overschotten voor stikstof.
De totale fosfaat- en stikstofproductie uit dierlijke mest is gebonden aan een plafond, per jaar mag de uitscheiding van nutriënten maximaal 173 miljoen kilo fosfaat en 504 miljoen kg stikstof (inclusief gasvormige verliezen) bedragen. In 2014 werden beide doelen nog gehaald maar in 2015 en 2016 werd het plafond voor fosfaat overschreden. Deze overschrijding werd vooral veroorzaakt door de hogere fosfaatproductie in de melkveehouderij. In 2017 is de hoeveelheid fosfaat in dierlijke mest weer lager dan het door de EU vastgestelde plafond als gevolg van de maatregelen die zijn genomen om de fosfaatproductie in de melkveehouderij terug te dringen. In 2018 en 2019 is de fosfaatproductie dankzij met name een daling in de melkveehouderij verder gedaald tot 162 respectievelijk 156 miljoen kg fosfaat.
De stikstofproductie lag in 2017 met 512 mln. kg iets hoger dan het plafond. In 2018 is de stikstofproductie van de Nederlandse veestapel weer gedaald naar 504 mln. kg en daarmee gelijk aan het plafond. Ook in 2019 lag de productie met 490 mln. kg onder het plafond. De daling is overwegend het gevolg van lagere stikstofproductie uit rundveemest als gevolg van de gekrompen melkvee- en jongveestapel.

Meer informatie: stikstofbodemoverschot
Meer informatie: fosfaatbodemoverschot
Meer informatie: stikstof- en fosfaatproductie

Fijnstof
Verkeer en landbouw zijn de voornaamste bronnen van de Nederlandse emissie van fijnstof; de landbouw droeg in 2018 21% bij aan de fijnstofemissie. De fijnstofemissie vanuit de landbouw is voor twee derde afkomstig uit de pluimveehouderij. De belangrijkste buitenlandse bijdragen komen van industrie, energieopwekking, verkeer en raffinaderijen.
Fijnstof is van invloed op de luchtkwaliteit, op EU-niveau zijn daarom richtlijnen opgesteld voor luchtkwaliteitseisen. In Nederland zijn deze vastgelegd in de Wet milieubeheer.

Meer informatie: fijnstofemissie


Kies een sector
Contactpersoon
Petra Berkhout
070 3358103
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties


Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page