Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Arbeid
     
Arbeid
Select an indicator
Onbetaalde en betaalde aje - Land- en tuinbouw

Arbeidsvolume primaire land- en tuinbouw gestegen
1/13/2022

Het arbeidsvolume in de land- en tuinbouw is in 2020 met 1% gestegen tot 157.700 arbeidsjaareenheden (aje), binnen de land- en tuinbouw gebruikt als een maat voor het aantal voltijdbanen. Met de toename van het arbeidsvolume in 2019 (2%) is in twee jaar tijd het aantal aje met 4.300 toegenomen. De grotere werkgelegenheid binnen de glastuinbouw (6.700 aje), dankzij de groei van de sector in bedrijven en glasareaal, overtrof de krimp in de meeste andere sectoren. Vanaf de eeuwwisseling tot 2018 is het arbeidsvolume met gemiddeld 2% per jaar gedaald.

Opnieuw toename arbeidsvolume
Het arbeidsvolume is een maat voor de werkgelegenheid, uitgedrukt in voltijdbanen. Hiervoor wordt binnen de land- en tuinbouw de term arbeidsjaareenheid (aje) gebruikt. Een arbeidskracht die 2.000 uur of meer werkt, wordt gezien als 1 aje. In dit kengetal is (een deel van de) flexibele arbeid opgenomen, het totaal aan flexibele arbeid is lastig vast te stellen omdat de inzet is beperkt tot piekperioden en er geen sprake is van jaarrondbanen.
 

De arbeidsinzet van het gezin is in 2020 met bijna 4% gedaald tot 82.000 aje; van buiten het gezin nam de inzet met 6% toe tot 75.000 aje. Zo vindt een verdere verschuiving plaats van gezinsarbeid (tussen 2000 en 2020 van 66% naar 52%, zie tabel) naar arbeid van buiten het gezin (48% in 2020). Dat geldt overigens alleen voor het volume van de niet-regelmatige arbeid, waarvan het aandeel op het totaal arbeidsvolume is toegenomen van 7% in 2000 tot 21% in 2020. Het aandeel van het arbeidsvolume van personeel met een vast contract is al die tijd vrij stabiel gebleven op ruim een kwart.

Meeste werkgelegenheid in glastuinbouw en melkveehouderij
Bijna de helft van de werkgelegenheid (op basis van het arbeidsvolume in aje) is geconcentreerd op de glastuinbouw- en melkveebedrijven (tabel). De samenstelling verschilt echter sterk: in de melkveehouderij heeft het gezin veruit de grootste inbreng (88% in 2020), terwijl dat in de glastuinbouw geldt voor vast en los personeel (89% in 2020). De vermindering van het aantal bedrijven in combinatie met een sterke schaalvergroting in de tuinbouw - vooral de glastuinbouw - heeft gezorgd voor een verschuiving van gezinsarbeid naar personeel van buiten het gezin. Van het personeel buiten het gezin werkt nu 77% op tuinbouwbedrijven (glastuinbouw- en opengrondstuinbouwbedrijven). De bedrijven in de meer grondgebonden sectoren steunen nog altijd voor het overgrote deel op de inzet van het gezin.

Werkgelegenheid op land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype, 2000 en 2020
BedrijfstypeAantal aje a Aandeel (%) gezinAje per bedrijf
200020202000202020002020
Glastuinbouw52,69343,676289615.7
Opengrondstuinbouw33,98827,75947323.24.9
Akkerbouw19,37417,29981781.31.5
Melkveehouderij45,81033,527938822.3
Overige graasdierhouderij22,80115,00385821.11.5
Intensieve veehouderij22,16413,13479661.82.4
Gecombineerd 15,2987,326857022.4
Alle212,129157,72466522.23
a Arbeidsjaareenheid
Bron: CBS-Landbouwtelling; bewerking: Wageningen Economic Research.

Snellere toename arbeidsbezetting
De benodigde arbeid per bedrijf neemt toe door de groei van de bedrijfsomvang en daalt door toename van de arbeidsproductiviteit. Het eerste effect is iets groter waardoor over een langere periode bezien de gemiddelde arbeidsbezetting per bedrijf is gestegen, van 2,18 aje in 2000 tot 2,99 aje per bedrijf in 2020 (figuur en tabel), een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,6%. In 2016 vond een sprong plaats (van 2,45 naar 2,75 aje per bedrijf) door een verandering in de registratie van bedrijven, waardoor een groot aantal zeer kleine bedrijven met weinig arbeidskrachten wegviel. Tussen 2000 en 2015 nam de arbeidsbezetting toe met gemiddeld 0,8% per jaar, en tussen 2016-2020 met 2,2% per jaar.

Tussen de sectoren loopt de arbeidsbezetting in 2019 uiteen van 1,5 aje per bedrijf op de akkerbouw- en overige graasdierbedrijven, 2,3 aje op de melkveebedrijven, tot 15,7 aje per bedrijf op de glastuinbouwbedrijven. In de laatste sector is de arbeidsbezetting vanaf 2000 met een factor 2,6 gestegen.

Aantal regelmatig werkzame arbeidskrachten
Een andere wijze van berekening van de werkgelegenheid gaat uit van het aantal arbeidskrachten, waarbij niet wordt gekeken naar de inzet in arbeidsuren. Van de 175.000 regelmatig werkzame (vaste) arbeidskrachten volgens de Landbouwtelling behoren anno 2020 ruim 117.000 tot het gezin (bedrijfshoofden, echtgenoten en meewerkende familie), ofwel 67% tegen 71% in 2016. Het aantal niet-gezinsarbeidskrachten (verder ook aangeduid met personeel) is met 58.000 in 2020 gelijk aan het voorgaande jaar. In deze cijfers zijn de flexibele arbeidskrachten (uitzendkrachten en personeel met tijdelijke contracten) niet opgenomen. De vaste arbeidskrachten hebben meestal volledige jaarrondbanen, terwijl de inzet van flexibele arbeidskrachten met name in de tuinbouwsectoren beperkt is tot de piekperioden. In de oogst-/piekperioden kunnen grote aantallen mensen aan het werk zijn, maar slechts voor (hele) korte perioden.

In piekperioden ruim tweemaal zoveel inhuur personeel
In het arbeidsmarktonderzoek van de sector agrarisch en groen (waaronder loonwerk en hoveniers) ook de omvang van de inhuur van arbeidskrachten opgenomen (van Hulle en Grotenhuis, 2020). In 2019 waren er in de primaire land- en tuinbouw 230.000 mensen werkzaam, waarvan 159.000 op de loonlijst stonden en 71.000 werden ingehuurd. Tijdens de piekperioden lag het aantal arbeidskrachten in 2019 op 329.000, waarvan 176.000 op de loonlijst en 153.000 op inhuurbasis (van Hulle en Grotenhuis, 2020). In de piekperioden zijn met andere woorden via inhuur ruim tweemaal zoveel mensen aan het werk in de land- en tuinbouw als buiten die perioden.

Uitzendkrachten zijn vrijwel allemaal arbeidsmigranten
Voor de personeelsvoorziening zijn de land- en tuinbouwbedrijven steeds afhankelijker geworden van arbeidsmigranten, werknemers zonder de Nederlands nationaliteit die werkzaam zijn bij Nederlandse bedrijven. In 2019 is ongeveer een derde van de werknemers in directe dienst bij de land- en tuinbouwsector een arbeidsmigrant, naar schatting 90% van de uitzendkrachten is een arbeidsmigrant (Heyma et al., 2020).

Aanbevelingen voor verbetering positie arbeidsmigranten
De inzet van arbeidsmigranten kent verschillende problemen, zoals de soms sterke afhankelijkheid van de werkgever, veelal een uitzendbureau, die ook voor huisvesting en de zorgverzekering zorgt. Verlies van werk betekent dan vaak verlies van huisvesting en zorg. Andere knelpunten zijn onder meer onderbetaling en slechte huisvesting (kwaliteit, verkamering, overbewoning). Deze problemen zijn niet alleen nadelig voor de arbeidsmigranten zelf, maar ook voor werkgevers die wel goed omgaan met hun werknemers, en voor de leefbaarheid van wijken. Het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten (2020) heeft deze bevindingen opgetekend in het advies Geen tweederangsburgers. Het aanjaagteam adviseert onder andere een verplichte certificering van uitzendbureaus, verbetering van de registratie van arbeidsmigranten (aanpassing Basisregistratie Personen), en verbetering van de huisvesting (zoals een verhuurdersvergunning en loskoppelen van het arbeids- en huurcontract).

Ondanks corona geen hele grote problemen voor arbeidsvoorziening
In het begin van de coronacrisis kwamen er minder arbeidskrachten uit het buitenland uit angst voor besmetting, maar was ook de vraag naar arbeid lager. Het tekort aan arbeidskrachten in de glasgroenteelt kon in de eerste weken van de crisis relatief snel worden ingevuld door personeel uit met name de sierteelt. In de maanden daarna is de instroom van buitenlandse arbeidsmigranten weer op gang gekomen (Berkhout en Bergevoet, 2020). De inzet van arbeid is uiteindelijk geen heel groot probleem geworden mede dankzij de flexibiliteit en initiatieven van de sector, zoals bemiddelingsplatforms voor arbeid, en steunmaatregelen van de overheid.

Toenemende spanning op de arbeidsmarkt
Na de economische crisis is het aantal openstaande vacatures opgelopen tot het aanbreken van de coronacrisis in 2020. Na de terugval in dat jaar, is het aantal openstaande vacatures in de eerste helft van 2021 zeer sterk gestegen (figuur). De land- en tuinbouw volgt over het algemeen het patroon van alle economische activiteiten, zij het op een lager niveau en met meer fluctuaties door de seizoensvraag naar arbeid. Voor de land- en tuinbouw staat de sector landbouw, bosbouw en visserij model, want daarbinnen is de primaire land- en tuinbouw veruit de grootste werkgever.


Om een indruk te krijgen de verhouding van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt heeft het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) de Spanningsindicator Arbeidsmarkt ontwikkeld (figuur; zie toelichting). Zowel voor alle beroepen als de agrarische beroepen nam de spanning op de arbeidsmarkt tussen 2016 en 2020 toe van ruim/gemiddeld naar krap, met de kenmerkende seizoensinvloeden van agrarische arbeidsmarkt. Tijdens de coronacrisis in 2020 zakte de indicator naar een gemiddeld niveau, maar in 2021 is de spanning sterk opgelopen.


De oplopende spanning op de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren komt ook naar voren uit de CBS-conjunctuurenquête onder de Nederlandse ondernemers. Binnen de bedrijfstak landbouw, bosbouw en visserij ondervond tot halverwege 2017 slechts een paar procent van de ondernemers belemmeringen in de bedrijfsvoering door een tekort aan arbeidskrachten. Dat liep op tot 18% in het eerste kwartaal van 2020. Na een afname tot 13% in het eerste kwartaal van 2021, steeg het deel van de ondernemers dat belemmeringen ervoer door een tekort aan arbeidskrachten tot 20% in het derde kwartaal van 2021.



Kies een sector
Contactpersoon
Martien Voskuilen
070 3358328
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
Deze tekst, met uitzondering van de passage over spanning op de arbeidsmarkt, is afkomstig uit de publicatie Staat van Landbouw en Voedsel; Editie 2021. Wageningen Economic Research en CBS; Nota 2022-013.

Toelichting: Spanningsindicator Arbeidsmarkt
De Spanningsindicator Arbeidsmarkt van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) geeft een indicatie van de vraag en het aanbod op de arbeidsmarkt. De indicator wordt berekend door het geschatte aantal openstaande vacatures te delen door het aantal personen dat op hetzelfde moment korter dan 6 maanden een WW-uitkering ontvangt. Deze grootheden worden gebruikt als benadering van de openstaande vraag en het direct beschikbaar aanbod. De indicator kan een getal geven tussen 0 en oneindig. Hoe hoger het getal, hoe hoger de spanning op de arbeidsmarkt voor werkgevers. Bij een indicator van 0 is de arbeidsmarkt zeer ruim, want er zijn geen openstaande vacatures en wel kortdurend werklozen. Bij veel openstaande vacatures ten opzichte van het aantal kortdurend werklozen is de arbeidsmarkt zeer krap. Er wordt een indeling in vijf categorieën gebruikt:
0 tot 0,25: zeer ruim
0,25 tot 0,67: ruim
0,67 tot 1,5: gemiddeld
1,5 tot 4,0: krap
4,0 of meer: zeer krap


Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page