Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Thema's > Keten in beeld
     
Keten in beeld
Kies een indicator
Structuur van de keten - varkenshouderij

De varkensproductieketen
4-10-2016

De Nederlandse varkensproductie maakt deel uit van een (Noordwest-)Europees cluster. De zelfvoorzieningsgraad van varkensvlees in de EU-28 is gestegen van 114% in het eerste kwartaal van 2015 naar 119% in het eerste kwartaal van 2016. Dit hangt samen met een toegenomen Europese productie.

De varkensproductie in Nederland is redelijk stabiel in omvang. In 2015 zijn er met 15,5 miljoen stuks weliswaar circa 0,9 miljoen varkens meer geslacht dan in 2014 (CBS Statline), maar daar staat een kleinere export van levende slachtvarkens naar Duitsland tegenover.
De varkensproductieketen, 2014/2015
Bron: CBS, Nevedi, OPNV, bewerking Wageningen Economic Research.

Sinds voorjaar 2016 is de export van varkensvlees en -producten vanuit de EU naar vooral China fors toegenomen, onder invloed van een sterke vraag vanuit China, en een gunstige eurokoers. De prijs is daarop fors gestegen. De afhankelijkheid van de markt buiten de EU, met beduidend grotere risico’s (grenssluiting, vraagschommeling, koersrisico’s enz.), is daarmee echter gestegen (Hoste, 2016).

De Chinese markt is niet voor iedereen toegankelijk, maar wel belangrijk voor de totale verwaarding omdat in China delen van het varken afgezet kunnen worden die in de EU geen aftrek vinden. Niet alle Nederlandse slachterijen kunnen naar China leveren, omdat het autorisatieproces soms onvoorspelbaar verloopt. Om die reden heeft slachterij Hilckmann (omzet circa 1 miljoen slachtingen) in februari de poorten gesloten: de uitblijvende toegang naar de Chinese markt trok een te zware wissel op de winstgevendheid van de onderneming. Ook slachterij Westfort kampt met deze problematiek: de oude slachterij in Gorinchem wordt nog niet gesloten en de nieuwe slachterij in IJsselstein kan maar deels benut worden, omdat deze nieuwe slachterij nog geen vergunning heeft voor afzet naar China.

Sterke concentratie in de slacht en verwerking
Circa 90% van de varkensslachtingen in Nederland vindt nu plaats bij de grootste vier slachtondernemingen. Vion Food Group slacht ongeveer de helft van de varkens in Nederland; de andere grote ondernemingen zijn Van Rooi Meat, Compaxo en Westfort. De vleesindustrie in (Noordwest-)Europa is met elkaar verweven in afzetkanalen en ontwikkelingen; er is een stevige concurrentie tussen de grote spelers (zoals met Tönnies en Westfleisch in Duitsland en Danish Crown in Denemarken).

In 2015 zijn 3,3 miljoen slachtvarkens en slachtzeugen geëxporteerd, vrijwel uitsluitend naar Duitse slachterijen. Ook zijn er 6,3 miljoen biggen geëxporteerd, waarvan circa 65% naar Duitsland (RVO, 2016).

Inspelen op maatschappelijke eisen
De consumptie van varkensvlees vertoont een licht dalende lijn, en kwam in 2014 uit op 37,4 kg per hoofd van de bevolking (2013: 38,0 kg) (Verhoog et al., 2015). Een toenemend deel van de productie vindt plaats binnen marktconcepten als Beter Leven of Keten Duurzaam Varkensvlees. In 2013 heeft de varkensketen (varkenshouderij, vleesindustrie, retail, levensmiddelenindustrie en ngo’s) afgesproken dat het varkensvlees in de supermarkten geleidelijk aan wordt vervangen door varkensvlees volgens een duurzamer marktconcept: het Varken van Morgen. Dit is gebaseerd op het Beter Leven-concept, maar gaat verder op het gebied van milieueisen en antibioticagebruik. Volgens onderzoek van CBL (2016) is inmiddels 94% van het in Nederlandse supermarkten verkochte verse varkensvlees geproduceerd onder Beter Leven en/of Varken van morgen. Naast vers vlees schakelt een aantal retailers om naar vleeswaren op basis van Beter Leven en/of Varken van morgen, wat belangrijk is voor de vierkantverwaarding van de onder deze programma’s geproduceerde varkens. Nederland loopt hiermee voorop in de EU. Om te voldoen aan de vraag van de Nederlandse supermarkten, worden naar schatting jaarlijks 6 miljoen varkens geslacht; dit komt overeen met circa een kwart van de totale productie van de dieren.

Meer dan de helft van de in Nederland geboren mannelijke varkens wordt niet meer gecastreerd (Wageningen UR, 2014). Nederland is daarin duidelijk verder dan concurrerende landen zoals Duitsland en Denemarken. Er vindt onderzoek plaats naar het verminderen van het risico op berengeur in varkensvlees. Tegelijkertijd stagneert de groei naar een volledige castratiestop, omdat de afzetmarkt voor de producten van niet-gecastreerde mannelijke varkens beperkt is. Binnen het Varken van Morgen-programma is castratie niet toegestaan.

Verder lopen er trajecten om te zoeken naar mogelijkheden om af te zien van het staarten couperen, kraamzeugen los te laten rondlopen in de kraamhokken, en naar vermindering van de biggensterfte tijdens de zoogfase.

Met het Convenant Antibioticaresistentie Dierhouderij dat in 2008 door ketenpartijen is ondertekend, begon een zoektocht voor varkenshouders om hun verbruik te verlagen. Inmiddels is het antibioticumverbruik in de varkenssector tussen 2009 en 2015 gedaald met 56%.

De Regiegroep Vitalisering varkenshouderij onder leiding van Uri Rosenthal heeft gewerkt aan het Actieplan Vitalisering varkenshouderij. Dit actieplan bouwt voort op eerdere initiatieven en convenanten en richt zich op verdere omslag naar markgericht produceren, op het borgen van voldoende ontwikkelruimte en innovatiekracht bij de blijvers in de sector en op kostenreductie, door onder meer mestverwerking en -verwaarding.

Aantal primaire bedrijven daalt tot onder de 5.000
In 2015 waren er nog ruim 4.900 bedrijven met varkens (CBS Statline); dit aantal krimpt voortdurend. Gespecialiseerde zeugenbedrijven hebben gemiddeld circa 650 zeugen; gespecialiseerde vleesvarkens- en gecombineerde varkensbedrijven hebben ruim 2.000 vleesvarkens (CBS Statline).

Inkomens op varkensbedrijven staan onder druk, zowel door gestegen veevoederprijzen als door hoge kosten voor mestafzet, beperking van ammoniakemissie, dierenwelzijn en dergelijke. Dragende zeugen moeten sinds 2013 in groepen worden gehuisvest. Nederland gaat daarin echter verder dan de EU-regelgeving door dit niet pas vanaf 28 dagen, maar al vanaf 4 dagen na inseminatie te eisen. Vleesvarkens hebben een leefoppervlakte beschikbaar van 0,8 m2; dit gaat verder dan de door de EU vereiste 0,65 m2 per dierplaats.

Qua schaalgrootte is de Nederlandse varkenshouderij in Europa een middenmoter. In zeugproductiviteit loopt Nederland met Denemarken in de wereldtop, maar de Nederlandse sector verliest hier wel positie aan de Denen.

De autonome productiviteits¬ontwikkeling van de zeugen leidt tot een hogere biggenproductie, die in toenemende mate over de grens wordt afgezet. Van de totale productie van bijna 25 miljoen dieren, worden bijna 10 miljoen dieren geëxporteerd. Vanuit oogpunt van milieudruk, arbeidsprestatie en investeringsbehoefte zou een verdere ontwikkeling van de Nederlandse varkenssector naar een kraamkamer voor andere landen in Europa wenselijk zijn. Veel Midden- en Oost-Europese landen hebben voldoende milieu¬gebruiksruimte (land, grondstoffenteelt voor veevoer), goedkopere huisvesting en lagere lonen. Een ruimtelijke spreiding met meer nadruk op bigproductie in Noordwest-Europa en meer vleesvarkenshouderij - en vleesindustrie - in Midden- en Oost-Europa kan op langere termijn verwacht worden. De biggenproductie is ook meer kennis- en arbeidsintensief dan vleesvarkenshouderij. Nadelen van zo’n ruimtelijke heroriëntatie zijn de risico’s op grenssluitingen bij uitbraken van besmettelijke dierziekten, en de gevolgen voor het imago en het draagvlak voor de varkenssector bij een sterkere gerichtheid op de rol als kraamkamer.

Veevoermarkt beheerst door drie grote spelers
De veevoerindustrie in Nederland is grootschalig en internationaal georiënteerd. De grootste drie bedrijven zijn Agrifirm, ForFarmers en De Heus, met een marktaandeel van circa 60% van de mengvoerproductie. Nevedi is de koepel van de veevoederindustrie, en vertegenwoordigt vrijwel de gehele diervoederindustrie. Veevoerbedrijven kopen grondstoffen over de hele wereld; qua herkomst ligt de nadruk echter op Europa. Inkoop gebeurt veelal via grootschalige handelsbedrijven. Veevoerbedrijven verkopen complete mengvoeders en premixen/concentraten in een groot aantal landen. De veevoerindustrie realiseert daarmee schaalgrootte qua inkoop en R&D, zonder de band met de lokale afnemers te verliezen. Daarnaast houdt een aantal bedrijven zich bezig met de handel in vochtrijke bijproducten van de humane levensmiddelenindustrie, uit de verwerking van bijvoorbeeld aardappelen, bier, granen, citrusvruchten en plantaardige oliën. Deels komen deze producten in het mengvoer, deels ook als losse grondstoffen bij de veehouders. De varkenssector draagt hierdoor bij aan de benutting van waardevolle restproducten, het sluiten van kringlopen en de circulaire en biobased economy.

De veevoerindustrie gebruikt nu uitsluitend verantwoorde soja in het veevoer. De voor de binnenlandse consumptie van dierlijke producten benodigde soja voldoet aan de eisen van de Round Table on Responsible Soy (RTRS); voor de dierlijke productie waarvan de dieren of de afgeleide producten geëxporteerd worden is een standaard van toepassing met iets lichtere eisen.

Het Nederlandse varkenscluster is een innovatiemotor. Door de hoge maatschappelijke eisen en wensen wordt voortdurend gezocht naar oplossingen en verbeteringen. Daarmee is de Nederlandse varkensvleesproductie onder andere door de hoge productie-efficiëntie een van de meest milieu-duurzame, in termen van milieubelasting per kg varkensvlees (Hoste, 2015). Innovaties worden wereldwijd geëxporteerd in kennisintensieve producten.


Kies een sector
Contactpersoon
Robert Hoste
0317-484654
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
  • CBL, 2016. Hoe duurzaam is de Nederlandse supermarkt? Onderzoek uitgevoerd door Schuttelaar & Partners.
  • Hoste, R., 2015. Nederlandse varkens koploper in duurzaamheid. In: Varkensbedrijf, nr.7-2015, pp. 12-15.
  • Hoste, R., 2016. Export brengt EU-varkensmarkt in beweging. In: Varkensbedrijf, nr. 7-2016, pp. 12-15.
  • Verhoog, D., H. Wijsman en I. Terluin, 2015. Vleesconsumptie per hoofd van de bevolking in Nederland, 2005-2014. Nota LEI 2015-120.
  • Wageningen UR, 2014. Boars on the way; Results of the 5 year Dutch research programme ‘Boars heading for 2018’. http://edepot.wur.nl/293639.


Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



naar boven