| Bedrijven - Land- en tuinbouw |
Bedrijfsstructuur: verdere daling aantal bedrijven in 2024
|
8-12-2025
|
Het aantal land- en tuinbouwbedrijven is volgens de Landbouwtelling in 2024 verder gedaald tot 49.900, een afname van ruim 700 bedrijven oftewel 1,4% ten opzichte van 2023. Daarmee ligt de daling in lijn met de langjarige trend, maar wel duidelijk hoger dan in 2023, toen de afname beperkt bleef tot 0,7%. Sinds 2010 is het aantal land- en tuinbouwbedrijven met bijna een derde teruggelopen, en ten opzichte van 2000 zelfs gehalveerd. Ter vergelijking: het areaal cultuurgrond kromp in 2024 slechts licht met 0,2% tot circa 1,8 mln. ha (zie Areaal). Over de langere termijn is de afname van het areaal (-9% sinds 2000; -3,9% sinds 2010) veel beperkter dan die van het aantal bedrijven, wat wijst op voortgaande schaalvergroting.
|
Land- en tuinbouwbedrijven naar bedrijfstype (aantal bedrijven), 2000-2024 |
| Glastuinbouw- en champignonbedrijven | 8.804 | 4.573 | 2.790 | 2.756 | 2.637 | -4,3 | | Opengrondstuinbouwbedrijven | 10.489 | 7.450 | 5.638 | 5.480 | 5.429 | -0,9 | | Akkerbouwbedrijven | 14.799 | 11.962 | 11.174 | 11.431 | 11.271 | -1,4 | | Melkveebedrijven | 23.280 | 17.519 | 14.542 | 13.215 | 12.809 | -3,1 | | Overige graasdierbedrijven | 20.208 | 19.073 | 10.117 | 10.054 | 10.292 | 2,4 | | Intensieve veehouderijbedrijven | 12.058 | 7.911 | 5.438 | 4.657 | 4.519 | -3 | | Gecombineerde bedrijven | 7.751 | 3.836 | 2.996 | 3.041 | 2.943 | -3,2 | | Land- en tuinbouwbedrijven, totaal | 97.389 | 72.324 | 52.695 | 50.634 | 49.900 | -1,4 |
Melkveehouderij blijft sterk krimpen
Het aantal melkveebedrijven nam in 2024 af met ruim 400 bedrijven (-3,1%) tot 12.800. Daarmee is de daling sterker dan het gemiddelde van de periode 2020-2023 (-2,3% per jaar). De structurele trend van schaalvergroting en bedrijfsbeƫindiging zet hiermee onverminderd door. Beleidsmaatregelen gericht op stikstofreductie, gecombineerd met blijvend hoge grond- en voerkosten, lijken hierbij een belangrijke rol te spelen. Hiermee blijft de melkveesector, net als in voorgaande jaren, in absolute zin de grootste bijdrager aan de krimp van het aantal agrarische bedrijven, terwijl de glastuinbouw- en champignonbedrijven procentueel een sterkere daling laat zien.
Minder intensieve veehouderijen
Het aantal intensieve veehouderijbedrijven (varkens, pluimvee en vleeskalveren) daalde in 2024 met 3,0% tot circa 4.500. Daarmee zet de neerwaartse trend van de afgelopen decennia door. Deze afname is deels het gevolg van natuurlijk verloop, maar ook maatschappelijke druk en strengere milieueisen spelen hierin een belangrijke rol. BeĆ«indigingsregelingen hebben daarbij eveneens een bijdrage geleverd, vergelijkbaar met eerdere programmaās zoals het Actieplan Ammoniak Veehouderij en de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv), die destijds zorgden voor een versnelde afname van het aantal varkensbedrijven.
Via de Landelijke beƫindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en de Lbv-plusregeling zijn tot en met 16 oktober 2025 in totaal 1.576 aanvragen ingediend: 666 voor de Lbv en 910 voor de Lbv-plus. Daarvan zijn respectievelijk 587 (Lbv) en 851 (Lbv-plus) aanvragen toegekend. Het merendeel van de aanvragen komt uit de varkenshouderij (573), gevolgd door melkveehouderij (446), pluimveehouderij (243), vleeskalverhouderij (210) en meerdere diersoorten (104). Deze aantallen zijn het totaal over Lbv en Lbv-plus samen en hebben betrekking op meerdere jaren. Deze ontwikkeling wijst erop dat de regelingen ook in 2025 en daarna naar verwachting een substantiƫle bijdrage zullen leveren aan de verdere afname van het aantal intensieve veehouderijbedrijven in Nederland.
De daling van het aantal intensieve veehouderijbedrijven deed zich vooral voor bij de vleeskalverenbedrijven (-5,2%) en de overige varkensbedrijven (-6,0%). Ook het aantal fokzeugen- en vleesvarkensbedrijven nam verder af. Binnen de pluimveesector bleef het aantal leghenbedrijven vrijwel stabiel, terwijl het aantal vleeskuikenbedrijven licht steeg (+1,5%). Het aantal overige pluimveebedrijven liet daarentegen een duidelijke daling zien. Sinds 2020 is het aantal intensieve bedrijven met ruim een vijfde verminderd, waarbij vooral de varkensbedrijven sterk zijn teruggelopen.
Sterke krimp glastuinbouw, stabilisatie opengrondstuinbouw
Het aantal glastuinbouw- en champignonbedrijven daalde in 2024 met 4,3% tot circa 2.600. In absolute zin gaat het om ruim honderd bedrijven, maar door de relatief kleine omvang van de sector is dit een duidelijke daling. Vooral energie-intensieve glasgroentebedrijven kregen te maken met hoge productiekosten, wat ertoe leidde dat aanzienlijk aantal bedrijven de deuren sloten. Het aantal glassierteeltbedrijven bleef daarentegen vrijwel stabiel. Hoewel ook de glassierteeltbedrijven te maken kregen met hoge energiekosten, was het effect hier minder zichtbaar in het aantal bedrijfsbeƫindigingen. Dat hangt samen met verschillen in teeltintensiteit en marktoriƫntatie.
Binnen de opengrondstuinbouw was het beeld in 2024 gemengd. Het totaal aantal bedrijven daalde met 0,9% tot circa 5.400, maar achter dit cijfer gaan verschillende bewegingen schuil. Het aantal opengrondsgroentebedrijven nam licht toe (+1,7% tot 824). Daarentegen daalde het aantal boomkwekerijen en fruitbedrijven beperkt. De bloembollensector zette de neerwaartse trend van de afgelopen jaren voort (-1,7% tot 567 bedrijven). Ook de overige tuinbouw- en blijvendeteeltbedrijven lieten een afname zien. Het aantal wijngaardbedrijven nam eveneens licht af, maar blijft met nog geen zestig bedrijven een zeer kleine deelsector.
Akkerbouw
Het aantal akkerbouwbedrijven daalde in 2024 licht met 1,4% tot circa 11.300. Daarmee zette de afname door na 2022, een jaar waarin de cijfers tijdelijk zijn vertekend door een aanpassing in de CBS-Landbouwtelling (CBS, 2024b). Vanaf dat jaar worden paarden- en ponybedrijven niet langer meegeteld, waardoor een trendbreuk ontstond in de reeks. Het hogere aantal akkerbouwbedrijven in 2022 weerspiegelde daarmee geen feitelijke groei van de sector. Binnen de akkerbouw waren de bewegingen gemengd: het aantal akkerbouwgroentebedrijven steeg weer (+13,5% tot 1.300), terwijl het aantal zetmeelaardappelbedrijven en graan-, olie- en eiwitgewasbedrijven duidelijk terugliep.
Overige graasdierbedrijven
Bij de overige graasdierbedrijven was er groei: +2,4% tot ruim 10.300. Achter dit totaal schuilen verschillende bewegingen. Het aantal paard- en ponybedrijven liet opnieuw een duidelijke stijging zien (+10,8% tot ruim 2.000), terwijl ook de categorie bedrijven met voedergewassen groeide (+27% tot bijna 600). Het aantal schapenbedrijven nam juist af (-5,2%), net als het aantal geitenbedrijven dat licht daalde. Het aantal overige rundveebedrijven bleef vrijwel stabiel. Deze categorie vormt een restgroep binnen de landbouwstatistieken en omvat vaak kleinere of afbouwende bedrijven.
Aantal faillissementen blijft laag Het aantal faillissementen in de land- en tuinbouw blijft laag (figuur). In 2024 vroegen 19 bedrijven faillissement aan, iets meer dan in 2023 (13), maar duidelijk minder dan in de piekjaren rond 2012-2013, toen er jaarlijks meer dan 110 faillissementen waren. Dit hangt samen met het feit dat bedrijfsbeƫindiging in de sector meestal vrijwillig plaatsvinden (door overdracht of staking), terwijl faillissementen vooral de conjunctuur volgen.
Het merendeel van de faillissementen in 2024 deed zich voor in de plantaardige sectoren (12), vooral bij de teelt van eenjarige gewassen (8) en de teelt van sierplanten (2). In de dierlijke sectoren waren er 7 faillissementen, waarvan 6 bij veeteelt en fokkerijen.
Op de langere termijn is zichtbaar dat het aantal faillissementen na de crisisjaren 2009-2013 sterk is afgenomen. Destijds liep het aantal op tot bijna 150 per jaar (2013), terwijl het niveau sinds 2016 meestal onder de 30 bleef. Ook in de coronaperiode (2020-2021) bleef het aantal faillissementen laag ondanks de
forse krimp van de economie.
Net als in eerdere jaren hangen faillissementen samen met de economische ontwikkeling en de structuur van de sector. Omdat bedrijfsbeƫindigingen doorgaans plaatsvinden via vrijwillige overdracht of beƫindiging, spelen faillissementen in de land- en tuinbouw een relatief beperkte rol.
|