Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Nutrienten
     
Nutrienten
Select an indicator
Mestproductie - Veehouderij

Fosfaatproductie in de veehouderij daalt, stikstofproductie blijft gelijk
7/20/2021

De hoeveelheid fosfaat in dierlijke mest is in 2020 ruim 22 mln. kg lager dan het door de Europese Unie vastgestelde plafond. De stikstofproductie is gelijk aan die van 2019. De afname van de fosfaatproductie is toe te schrijven aan de melkveehouderij (40%), vleesveehouderij (bijna 25%) en de pluimveehouderij (ruim 20%). Op de melkveehouderij na daalde in alle veehouderijsectoren de stikstofproductie, in totaal met ruim 7 mln. kg. Deze daling is vrijwel volledig tenietgedaan door de stijging van de stikstofproductie met bijna 7 mln. kg in de melkveehouderij.

In 2015 en 2016 overschreed de Nederlandse veehouderij het EU-fosfaatplafond van 172,9 mln. kg fosfaat en in 2017 het EU-stikstofplafond van 504,4 mln. kg stikstof. Dit was het gevolg van de hogere fosfaat- en stikstofproductie in de melkveehouderij. Om de derogatie te behouden, is voor deze sector een fosfaatreductieplan afgesproken. Op basis hiervan moesten de melkveehouderijbedrijven vanaf 2017 zowel het aantal koeien verminderen, als fosfaatarmer voeren om de fosfaat- en stikstofproductie weer onder de EU-plafonds te brengen. Dankzij deze maatregelen is de totale fosfaatproductie in Nederland in 2020 13% lager dan het EU-plafond en de stikstofproductie 3%.

De levensfase van het dier, de fase in de productiecyclus en het type dier bepalen de behoefte aan eiwit en fosfaat. De laatste jaren konden gemiddeld lagere fosfaat- en eiwitgehalten in het mengvoer worden gerealiseerd door de eiwit- en fosfaatgehalten in mengvoer beter af te stemmen op de levensfase van het dier, op de fase in de productiecyclus en op het gescheiden mesten van zeugjes en beertjes. Voor melk- en kalfkoeien geldt daarnaast dat betere afstemming van het mengvoer op de eiwit- en fosfaatgehalten in het ruwvoer (die worden beïnvloed door de weersomstandigheden en de stikstofbemesting) heeft bijgedragen aan een verlaagde excretie van stikstof en fosfaat.

Stikstof- en fosfaatplafonds voor de veehouderij 
De Europese Unie heeft zowel een stikstof- als een fosfaatplafond vastgesteld. Het instellen van fosfaat- en stikstofplafonds was een voorwaarde van de EU om Nederland vanaf 2006 derogatie te verstrekken voor de gebruiksnorm dierlijke mest van 170 kg stikstof per ha. Door de derogatie mogen bedrijven met meer dan 80% grasland 250 of 230 kg stikstof uit dierlijke mest per ha bemesten.

In 2016 zijn de EU-fosfaat- en stikstofplafonds ten behoeve van het Nederlandse beleid vertaald naar sectorplafonds voor melkvee, varkens en pluimvee.

Het nationale fosfaatplafond is 172,9 mln. kg fosfaat. Voor melkvee is het sectorplafond 84,9 mln. kg fosfaat. De sectorplafonds fosfaat voor varkens en pluimvee zijn 39,7 respectievelijk 27,4 mln. kg fosfaat.

Het nationale stikstofplafond is 504 mln. kg. Voor melkvee is het stikstofplafond 282 mln. kg stikstof. De stikstofplafonds voor varkens en pluimvee zijn 99,1 respectievelijk 60,3 mln. kg stikstof.

Fosfaat
De hoeveelheid fosfaat in dierlijke mest is in 2020 ruim 22 mln. kg lager dan het door de Europese Unie vastgestelde plafond. De afname van de fosfaatproductie is toe te schrijven aan de melkveehouderij (40%), vleesveehouderij (bijna 25%) en de pluimveehouderij (ruim 20%).

Fosfaat en sectorplafond melkvee
Vanaf 2013 steeg de fosfaatproductie van de melkveehouderij naar een top van 92,7 mln. kg in 2015, gevolgd door een daling naar 78,7 mln. kg in 2018 en 73,6 mln. kg in 2020. Het melkveefosfaatplafond van 84,9 mln. kg fosfaat is sinds 2018 niet meer overschreden. De stijging van de fosfaatproductie door de melkveehouderij tussen 2012 en 2015 werd voor ongeveer de helft veroorzaakt door hogere fosfaatgehalten in het voer en voor de andere helft door een toename van het aantal dieren. Het verbruikte ruwvoer in 2015 bevatte veel fosfor door de relatief hoge fosforgehalten in kuilvoer van de oogst van 2014 en de relatief hoge fosforgehalten van weidegras in 2015. De daling van de fosfaatproductie door de melkveehouderij in 2016 was te danken aan lagere fosforgehalten in zowel ruwvoer als mengvoer.

Met het fosfaatreductieplan dat in 2017 is ingevoerd, moesten melkveehouders óf het aantal stuks melkvee verminderen, óf deelnemen aan de stoppersregeling. Daarnaast werd ook het fosforgehalte in het mengvoer verlaagd, om zo beneden het fosfaatplafond uit te komen. Tussen 2016 en 2020 is het aantal melkkoeien gedaald met 195.000 stuks tot 1,55 mln. Het fosforgehalte van mengvoer voor melkvee was in 2015 nog 0,45%, in 2018 en 2019 is dat gedaald tot 0,42% en in 2020 weer iets gestegen naar 0,43%.

Fosfaat en sectorplafonds varkens en pluimvee
De fosfaatexcretie van varkens is sinds 2002 geleidelijk aan gedaald van bijna 40 mln. kg naar 36,7 mln. kg in 2020. De reden is zowel minder dieren als minder fosfor in het voer. De fosfaatexcretie van varkensmest zit daarmee bijna 8% beneden het sectorplafond van 39,7 mln. kg. Ook de fosfaatproductie van pluimveemest is gedaald - van 27,5 mln. kg in 2002 naar 24,1 mln. kg in 2020 - en is hiermee ruim beneden het sectorplafond van 27,4 mln. kg.

Stikstof
De stikstofproductie was in 2017 met 512 mln. kg voor het eerst hoger dan het plafond. In 2018 is de stikstofproductie van de Nederlandse veestapel gedaald naar 504 mln. kg en daarmee exact gelijk aan het plafond. De daling komt voor rekening van de graasdieren. Er zijn minder graasdieren als gevolg van een verlaging van het aantal melk- en kalfkoeien en jongvee door de invoering van het melkveefosfaatquotum in 2018. In zowel 2019 als 2020 was de stikstofproductie met bijna 490 mln. kg enkele procenten lager dan het EU-plafond. Naar verwachting zal dit plafond ook in de komende jaren niet worden overschreden, dankzij zowel de opkoopregeling voor de varkenshouderij die in 2021 wordt afgerond als de opkoopregeling voor piekbelasters van veehouderijbedrijven nabij Natura 2000-gebieden, die in november 2020 van start is gegaan.

Stikstof en sectorplafond melkvee
Het sectorplafond voor de melkveehouderij voor stikstof is 282 mln. kg stikstof. Tussen 2006 en 2014 was de stikstofproductie in de melkveehouderij lager dan het plafond. Daarna volgde een periode van 4 jaar waarin de stikstofproductie hoger was dan het sectorplafond, met in 2017 als piek een overschrijding van ruim 7% (21 mln. kg stikstof). In 2019 is de stikstofproductie tot net onder het sectorplafond gedaald, om in 2020 met een productie van 286,5 mln. kg er net iets boven te zitten. Net als bij de fosfaatproductie werd de stijging van de stikstofproductie tussen 2011 en 2017 veroorzaakt door een combinatie van meer dieren, hogere eiwitgehalten in het ruwvoer en een grotere voederbehoefte door een hogere melkproductie per dier per jaar (Van Bruggen en Gosseling, 2020).

Stikstof en sectorplafonds varkens en pluimvee
De stikstofexcretie van varkens is sinds 2002 geleidelijk aan gedaald van vrijwel 100 mln. kg naar 91,8 mln. kg in 2020. De reden is zowel minder dieren als minder eiwit in het voer. De stikstofexcretie van varkensmest zit daarmee ruim 7% beneden het sectorplafond van 99,1 mln. kg. De stikstofproductie van pluimveemest is gedaald van ruim 60 mln. kg in 2002 naar 54,7 mln. kg in 2020 en is hiermee 9% beneden het sectorplafond van 60,3 mln. kg stikstof.





Kies een sector
Contactpersoon
Harry Luesink
070 33 58315
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties
Bruggen, C. van en M. Gosseling (2020). Dierlijke mest en mineralen 2019. Den Haag, Centraal Bureau voor de Statistiek.

Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page