Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Themes > Balans en financiering
     
Balans en financiering
Select an indicator
Bezittingen en schulden - Land- en tuinbouw

Balanswaarde gemiddeld land- en tuinbouwbedrijf 3 mln. euro
4/25/2019

De balanswaarde van een gemiddeld Nederlands land- en tuinbouwbedrijf bedroeg eind 2017 3 mln. euro, een toename van ongeveer 150.000 euro ten opzichte van voorgaand jaar. Hiervan is 71% gefinancierd met eigen vermogen, 2% meer dan in 2017. Zowel het balanstotaal als de samenstelling ervan verschillen sterk tussen bedrijven en bedrijfstypen. De langlopende schulden daalden voor het tweede jaar op rij licht tot gemiddeld 800.000 euro per bedrijf in 2017.

Sinds het begin van deze eeuw is de balanswaarde van een gemiddeld land- en tuinbouwbedrijf bijna verdubbeld tot 3 mln. euro (zie figuur). De toename is vooral veroorzaakt door de groei van de bedrijfsomvang en door de gestegen prijs van landbouwgrond. De waarde van grond maakt eind 2017 56% uit van de totale balanswaarde, terwijl dat in 2001 nog om 36% ging. De waarde van immateriële activa, vooral quota en dierrechten, bedroeg in 2005 nog bijna 500.000 euro. Sinds 2006 is deze balanspost gestaag aan het dalen tot iets meer dan 70.000 euro eind 2017. Dit wordt vooral veroorzaakt door de afschaffing van het melkquotum op 1 april 2015.


Balanswaarde naar bedrijfstype
Een akkerbouwbedrijf heeft met gemiddeld 4,1 mln. euro het hoogste balanstotaal, een stijging van 800.000 euro ten opzichte van 2010 (zie figuur). Dat is hoofzakelijk te danken aan de forse stijging van de waarde van grond per hectare en in mindere mate aan de groei van de gemiddelde bedrijfsoppervlakte. Grond draagt bij voor 70% van de gemiddelde balanswaarde.


De gemiddelde balanswaarde van melkveebedrijven is eind 2017 gestegen naar 3,4 mln. euro. De toename in 2017 kwam vooral door waardestijging van grond. De areaaluitbreiding was gering. Sinds 2010 beweegt de gemiddelde balanswaarde zich rond de 3 mln. euro maar binnen dat bedrag is de samenstelling van de activa wel veranderd. De waarde van de immateriële activa op een gemiddeld melkveebedrijf is door de afschaffing van het melkquotum op 1 april 2015 in deze periode met meer dan 600.000 euro gedaald. Deze daling is gecompenseerd door met name een toename van het aandeel grond op de balans, zowel groei in areaal als waardestijging van de grond dragen hieraan bij. Daarnaast zijn de balanspost bedrijfsgebouwen en dierlijke activa gestegen door investeringen in uitbreiding en groei van de veestapel, vooruitlopend op de afschaffing van de melkquotering.

De gemiddelde waarde van de glastuinbouwbedrijven is de afgelopen zeven jaar eerst gedaald en daarna gestegen tot bijna 3,6 mln. euro eind 2017. Door een aantal jaren met magere economische resultaten stonden de investeringen in de sector op een laag pitje. In 2015 vond daarin een kentering plaats. Betere economische resultaten sinds 2014 zorgen voor een toename van het eigen vermogen ten opzichte van 2010 met gemiddeld 8 ton en een daling van de langlopende schuld met gemiddeld 5 ton. Hierdoor is de solvabiliteit met 20 procentpunten verbeterd tot 58%.

Met ruim 2,5 mln. euro is de gemiddelde balanswaarde van de varkensbedrijven het laagst van de ‘grote’ sectoren in de land- en tuinbouw. Wel is er de afgelopen zeven jaar een gestage groei van het balanstotaal, namelijk plus 600.000 euro. De balanswaarde bestaat voor ruim 50% uit grond en gebouwen. De waarde van gebouwen is de laatste jaren gestegen door nieuwe investeringen in varkensstallen. 

Grote verschillen solvabiliteit tussen bedrijven
De langlopende schulden van de bedrijven in de land- en tuinbouw liepen tot 2008 sneller op dan de totale balanswaarde, waardoor de solvabiliteit in die periode daalde (zie figuur). Tussen 2008 en 2015 is de gemiddelde solvabiliteit redelijk stabiel, rond de 67 à 68%. In 2016 steeg de solvabiliteit naar 69% en dankzij de goede economische resultaten in 2017 naar 71%. De solvabiliteit verschilt sterk tussen de bedrijven. De hoogte van de solvabiliteit duidt erop dat de meeste bedrijven voor het grootste deel met eigen vermogen zijn gefinancierd. De jaarlijkse vorming van eigen vermogen op land- en tuinbouwbedrijven vindt enerzijds plaats door herwaardering van aanwezige activa en anderzijds door mutaties van liquide middelen afkomstig uit besparingen, ontvangen erfenissen en overige vermogensmutaties.

Vanuit het oogpunt van risicobeheer is het belangrijk dat bedrijven over een voldoende grote financiële buffer beschikken om inkomensfluctuaties op te vangen. Een lage solvabiliteit maakt bedrijven kwetsbaar voor dergelijke schommelingen. Bij 7% van de bedrijven was in 2017 de solvabiliteit lager dan 35%. Die bedrijven hebben in het algemeen te maken met relatief hoge betalingsverplichtingen aan rente en aflossing. Bij 15% van de bedrijven is het vreemd vermogen groter dan het eigen vermogen. Een paar jaar geleden viel 20% van alle land- en tuinbouwbedrijven nog in deze categorie. Dit geeft aan dat de financiële weerbaarheid van bedrijven is verbeterd. 
 


Solvabiliteit naar bedrijfstype en -grootte
 Het verschil in solvabiliteit tussen bedrijven hangt af van de samenstelling van de activa. Over het algemeen geldt dat grondgebonden bedrijfstypen, zoals akkerbouw en melkveebedrijven, een gemiddeld hogere solvabiliteit hebben dan de niet-grondgebonden typen (zie figuur). Maar ook binnen de grondgebonden bedrijfstypen is de spreiding in solvabiliteit tussen bedrijven aanzienlijk. Daarbij speelt de herwaardering van grond een belangrijke rol.


Ook de economische bedrijfsomvang gemeten in Standaard Omzet (SO) speelt een rol (zie figuur). In het algemeen geldt op groepsniveau: hoe groter de gemiddelde economische omvang, hoe lager de gemiddelde solvabiliteit en hoe groter het aandeel bedrijven met een lage solvabiliteit. Die grotere bedrijven, gemeten in SO, zijn vooral te vinden in de (glas)tuinbouw en intensieve veehouderij. Een afzonderlijke blik op de bedrijfstypen melkveehouderij, akkerbouw, varkenshouderij en glastuinbouw bevestigt het beeld dat naarmate de bedrijven groter worden, gemeten in SO, de gemiddelde balanstotalen toenemen en de solvabiliteit daalt. Voor alle hierboven genoemde bedrijfstypen geldt dat deze grootste bedrijven gemiddeld ook de modernste zijn qua gebouwen, glasopstanden en machines (hoogste moderniteit). Ze hebben dus recentelijk grote investeringen gedaan, waardoor ze enerzijds bij de tijd zijn maar anderzijds relatief grote schulden hebben.


Kies een sector
Contactpersoon
Harold van der Meulen
0317-484436
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Referenties


Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



Top of page