Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Sectors > Land- en tuinbouw
     
Land- en tuinbouw
Select a theme
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
 
 
  
  
   
Select an indicator
Contactpersoon
Martien Voskuilen
070 3358328
 

Deze informatie voor andere sectoren
  • Land- en tuinbouw

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >

Areaal - Land- en tuinbouw

Grondgebruik
11/25/2020

Het areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven is in 2019 met 6.100 ha afgenomen tot 1,82 mln. ha (tabel 1). De daling van 0,3% in 2019 komt overeen met de gemiddelde afname in de periode 2000-2018 van 0,4% per jaar. Van het totaal areaal cultuurgrond is nu 53,9% in gebruik als grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland), 11,4% voor groenvoedergewassen, 29,1% voor akkerbouwland, 5,1% voor opengrondstuinbouw en 0,5% voor glastuinbouw.

Tussen 2015 en 2019 is het totaal areaal eiwitrijke gewassen toegenomen met 1.500 ha tot 15.300 ha. De toename heeft mede te maken met de invoering van de vergroeningsmaatregelen in 2014, en in dit geval van het ecologisch aandachtsgebied (EA). Met een areaal van ruim 15.000 ha zit de teelt in 2019 nog wel onder maar bijna weer op het niveau in 1980.

Het aandeel rustgewassen in het bouwplan van de Nederlandse akkerbouwbedrijven is de afgelopen tien jaar met vijf procentpunten afgenomen tot 43%. Het aandeel rustgewassen is het laagst in de IJsselmeerpolders, maar ook in andere akkerbouwgebieden staat dit aandeel onder druk.



Toelichting
De basis voor de oppervlakte cultuurgrond is de Landbouwtelling. De oppervlakte agrarisch terrein volgens de CBS-statistiek bodemgebruik is veel groter dan het areaal cultuurgrond volgens de Landbouwtelling. Dit is het gevolg van onder meer verschillen in definities en afbakening. Zo is de definitie van agrarisch terrein ruimer en worden daar ook bijvoorbeeld erven en tuinen toe gerekend, cultuurgrond daarentegen is de oppervlakte waarop de gewassen staan. De afbakening van de Landbouwtelling is eveneens beperkter, aangezien niet alle gebruikers van landbouwgrond zijn opgenomen in de Landbouwtelling.

Het areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven is in 2016 eenmalig sterk afgenomen door de wijzigingen in de registratie van de land- en tuinbouwbedrijven. Ten opzichte van 2015 daalde het areaal met circa 30.000 ha tot 1,82 mln. ha, een krimp van 1,6%.

Tabel 1 Agrarisch grondgebruik (1.000 ha), 2000-2019 a
20002010201720182019Verschil (%) 2018-2019
Grasland en voedergewassen1,249.51,232.91,206.81,203.11,181.6-1.8
    Waarvan grasland1,036.7995.3991.6987.1983.4-0.40
    snijmais205.3230.8205.3205.6187.4-8.8
Akkerbouw634.4542.1509.2516531.93.1
    Waarvan granen225.7218.8164.1167.6179.87.3
    aardappelen180.2158.3162.8165167.51.5
    suikerbieten110.970.685.485.279.2-7.1
    overig117.694.59798.2105.57.4
Tuinbouw open grond81.187.193.594.393.2-1.3
    Waarvan groenten22.424.526.326.125.6-2
    fruit20.619.520.520.420.4-0.30
    bloembollen22.523.326.727.627.2-1.2
    boomkwekerij12.616.91716.916.7-1.1
Tuinbouw onder glas10.510.39.19107.8
    Waarvan groenten4.25555.36
    sierteelt5.94.83.63.53.88.9
Cultuurgrond, totaal1,975.51,872.31,818.61,822.41,816.3-0.30
a Peildatum 15 mei.
Bron: CBS-Landbouwtelling.


Beperkte daling areaal grasland mede door derogatie
De totale oppervlakte grasland is in 2019 heel licht (0,4%) gedaald tot ruim 983.000 ha (tabel 1). Volgens de voorlopige cijfers van de Landbouwtelling is dit ook de omvang van het areaal in 2020. Binnen het areaal grasland wordt onderscheid gemaakt in blijvend, natuurlijk en tijdelijk grasland. Blijvend grasland is grasland dat minimaal vijf jaar achtereen op hetzelfde perceel wordt geteeld, met een opbrengst van meer dan vijf ton droge stof per ha per jaar. Voor natuurlijk grasland geldt onder meer een opbrengst van minder dan vijf ton droge stof per ha per jaar. Tijdelijk grasland is grasland dat maximaal vier jaar achtereen op hetzelfde perceel wordt geteeld. In 2019 is het areaal blijvend grasland met 1% gestegen tot 691.000 ha, het areaal natuurlijk grasland daalde met 4% tot 77.000 ha en het areaal tijdelijk grasland nam met 3% af tot 216.000 ha.

Sinds de invoering van de derogatie in 2006 - de mogelijkheid om meer stikstof per ha uit dierlijke mest te gebruiken - is het areaal grasland nauwelijks afgenomen: tussen 2005 en 2019 met 17.000 ha, ofwel 1,7%. Een derogatiebedrijf moet minimaal 80% van het areaal landbouwgrond gebruiken als grasland (voor 2014 was dat 70%). Deze eis in combinatie met de grote deelname aan de derogatie heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de beperkte daling van het areaal grasland. In 2019 hebben zich 18.100 bedrijven aangemeld voor de derogatie, met een gezamenlijk landbouwareaal van 812.000 ha waarvan 718.000 ha grasland (88%). Dat is ruim 70% van het totaal areaal grasland. Het aantal verleende vergunningen bedroeg 17.700 (LNV, 2020). De derogatie heeft als gevolg dat het areaal snijmais is afgenomen.

Ruim voldoende blijvend grasland voor vergroeningseis
Sinds 2015 zijn landbouwers verplicht vergroeningsmaatregelen uit te voeren om in aanmerking te komen voor de directe betalingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Een van de maatregelen is het in stand houden van blijvend grasland, ofwel grasland dat minimaal vijf jaar niet in de vruchtwisseling is opgenomen. Natuurlijk grasland (zie hiervoor) dat aan de vijfjareneis voldoet, valt ook onder de definitie van blijvend grasland van de vergroening. Als het aandeel blijvend grasland op het totaal landbouwareaal 5% of meer afneemt ten opzichte van de referentieratio moet Nederland een omzetverbod en herstelplicht invoeren. De referentieratio is het aandeel blijvend grasland op het totaal landbouwareaal in het referentiejaar (2012). De referentieratio bedraagt 40,97%. In 2015, 2016 en 2017 is het aandeel blijvend grasland met 1 à 2% gedaald ten opzichte van de referentie. In 2018 en 2019 is de ratio gestegen tot respectievelijk 41,26% en 41,68%. In alle jaren is dus ruimschoots voldaan aan de vergroeningseis voor het behoud van blijvend grasland. Voor 2020 zal dat ook gelden, omdat het areaal blijvend grasland voor het derde jaar op rij is toegenomen (op basis van de voorlopige cijfers van de Landbouwtelling).

Areaal akkerbouw neemt opnieuw toe
In 2019 is het areaal akkerbouw met 16.000 ha (3,1%, tabel 1) gestegen tot 532.000 ha. Met de uitbreiding in 2017 (5.500 ha) en in 2018 (6.800 ha), is dat een toename van ruim 28.000 ha (bijna 6%) in drie jaar tijd. Volgens de voorlopige cijfers van de Landbouwtelling komt het akkerbouwareaal in 2020 ongeveer uit op dat in 2019. Het areaal granen is per saldo tussen 2016 en 2019 nauwelijks veranderd; in 2019 werd 34% van het akkerbouwareaal ingenomen door granen. Het areaal aardappelen is tussen 2016 en 2019 met 9.600 ha toegenomen tot bijna 168.000 ha, ofwel 31% van het akkerbouwareaal. Het areaal suikerbieten is na de uitbreiding in 2017-2018 tot ruim 85.000 ha, in 2019 met 6.000 ha afgenomen tot 79.000 ha (15% van het totale akkerbouwareaal). De inkrimping volgt op de forse uitbreiding van de wereldwijde suikerproductie. Het grotere aanbod van suiker in de Europese Unie was mede het gevolg van het afschaffen van de suikerquotering op 30 september 2017. De inkrimping van het areaal in 2019 is nog enigszins afgeremd door de lagere suikerproductie in 2018 door de droogte. Hierdoor heeft Cosun geen suiker in opslag kunnen houden. Op basis van de voorlopige cijfers van de Landbouwtelling is het bietenareaal in 2020 weer wat gestegen (tot 81.900 ha) door een hoger toewijzingspercentage (105%) van Cosun. Het areaal akkerbouwgroenten blijft gestaag toenemen, van 46.000 in 2000 tot meer dan 64.000 in 2019, wat neerkomt op een jaarlijkse groei van circa 2%. De akkerbouwgroenten waren in 2019 goed voor 12% van het akkerbouwareaal.

Areaal tuinbouw open grond licht afgenomen
Het areaal opengrondstuinbouw is in 2019 met 1.100 ha gedaald tot 93.200 ha, maar volgens de voorlopige cijfers neemt het areaal in 2020 weer iets toe. Over een langere periode is het areaal opengrondstuinbouw geleidelijk gegroeid (circa 1% per jaar). Het totaal areaal opengrondstuinbouw beslaat nu 5,1% van het grondgebruik, tegen 4,1% in 2000.

Meer tuinbouw onder glas
Het glastuinbouwareaal is tussen 2011 en 2015 sterk gekrompen (ruim 1.000 ha) als gevolg van economisch slechte jaren voor deze sector. Na een stabilisatie van het glasareaal in 2017-2018 rond de 9.000 ha, is het areaal glas in 2019 met 700 ha gestegen tot 9.700 ha (tabel 1). Voor een deel kan de groei van het areaal worden toegeschreven aan een sterke verbetering van de inkomens in de glastuinbouw na 2013. Zo lag het aantal vergunningen voor nieuwbouw van kassen in de jaren 2016-2018 een factor 1,5 boven het gemiddelde in de periode 2012-2015. Het vergunde nieuwbouwareaal steeg van ongeveer 50 ha per jaar in 2012-2015 tot 160 ha in de jaren 2016-2018. Dit is echter maar een deel van de verklaring voor de sterke toename van het glasareaal in 2019, omdat er ook kassen worden vervangen en afgebroken. Een andere factor is mogelijk de inspanningen om de registratie van deze sector in de Landbouwtelling te verbeteren.

Eiwitrijke gewassen

Nationale Eiwitstrategie in de maak
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werkt aan een Nationale Eiwitstrategie die gericht is op vergroting van de teelt van bepaalde eiwitrijke gewassen, ontwikkeling van alternatieve eiwitbronnen en de benutting van eiwitten uit reststromen (LNV, 2020). Hiermee wordt gehoor gegeven aan de oproep van de Europese Commissie om een nationale strategie op te stellen om Europa meer zelfvoorzienend te maken in haar behoefte aan plantaardig eiwit.

Eiwitrijke gewassen volgens de Europese Commissie
In 2018 heeft de Europese Commissie een verslag uitgebracht over de ontwikkeling van de productie van plantaardige eiwitten in de Europese Unie:

‘Het verslag is gericht op eiwitrijke gewassen met een ruweiwitgehalte van meer dan 15% (oliehoudende zaden: koolzaad, zonnebloempitten en sojabonen; peulvruchten: bonen, erwten, linzen, lupinen enz.; en voederleguminosen: voornamelijk luzerne en klaver), die ongeveer een kwart van het totale aanbod van plantaardig ruweiwit in de EU beslaan. Hoewel granen en grasland een wezenlijk deel uitmaken van het totale EU-aanbod van plantaardige eiwitten, zijn ze niet opgenomen in dit verslag, vanwege een laag eiwitgehalte respectievelijk weinig relevantie voor de markt.’ (EC, 2018).

Nederlands areaal eiwitrijke gewassen in 2019 ruim 15.000 ha
Op basis van de gewassen die in de Landbouwtelling zijn opgenomen, is de ontwikkeling van de eiwitrijke gewassen in Nederland volgens bovenstaande indeling in onderstaande figuur weergegeven. Tussen 2015 en 2019 is het totaal areaal eiwitrijke gewassen toegenomen met 1.500 ha tot 15.300 ha. De toename heeft mede te maken met de invoering van de vergroeningsmaatregelen in 2014, en in dit geval van het ecologisch aandachtsgebied (EA). Luzerne en overige groenvoedergewassen zijn teelten die hiervoor ingezet kunnen worden.


De oppervlakte voederleguminosen steeg van 5.300 ha in 2014 naar 8.600 ha in 2019. In de jaren 2015-2016 bestond deze gewasgroep alleen uit luzerne. Vanaf 2017 is daar de categorie overige groenvoedergewassen (waaronder klavers en voederwikke) bijgekomen, met een areaal van 1.000 ha in 2019. Het areaal van de oliehoudende zaden en peulvruchten is tussen 2015 en 2019 met circa 700 ha gestegen tot 6.600 ha. Een van de oliehoudende gewassen is sojabonen met een oppervlakte van 480 ha in 2019 (tegen 540 ha in 2018).

Teelt van eiwitrijke gewassen in het verleden
Al eerder is binnen Europa getracht de teelt van eiwitrijke gewassen te bevorderen. In 1978 heeft de Europese Gemeenschap een gemeenschappelijke marktorganisatie voor erwten, veldbonen en luzerne in het leven geroepen. In de periode 1978-1992 is ondersteuning van de eiwitrijke gewassen gegeven via een gegarandeerde minimumprijs voor de teler en een subsidie voor de veevoederfabrikant. Dat zorgde voor een forse uitbreiding van de productie. Om de uitgaven van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te stabiliseren, is tussen 1988 en 1992 voor akkerbouwgewassen een systeem van garantiedrempels ingevoerd; overschrijding van de productie boven een bepaalde hoeveelheid werd de prijssteun verlaagd. In 1993 werden - als uitvloeisel van de Mac Sharry-hervorming van het GLB - de minimumgarantieprijzen afgeschaft en vervangen doorhectaretoeslagen. Ook de gebruikssubsidie voor de verwerkers van eiwitgewassen werd afgeschaft, waardoor de marktprijs vanaf dat moment bepaald wordt door vraag en aanbod op de internationale markt (Kamp et al., 2008).

Door de subsidies werd de teelt van eiwitrijke gewassen in Nederland sterk uitgebreid, tot bijna 70.000 ha in 1987 (zie figuur). Daarvan bestond 55.000 ha uit peulvruchten, waarvan 36.000 ha erwten. Door de afschaffing van de prijsondersteuning en teelttechnische problemen (bij erwten) is de teelt van eiwitrijke gewassen na 1987 weer snel gedaald (Kamp et al., 2008). Met een areaal van ruim 15.000 ha zit de teelt in 2019 nog wel onder maar bijna weer op het niveau in 1980.



Overige akkerbouwgewassen
Het areaal overige akkerbouwgewassen (105.500 ha in 2019, zie tabel 1) bestaat uit een groot aantal teelten, die in de Landbouwtelling in een aantal groepen zijn samengebracht. De belangrijkste daarvan is de categorie akkerbouwgroenten met een areaal van 64.400 ha (in 2019), met als grootste teelt uien. De overige groepen (zie figuur hieronder) zijn handelsgewassen (12.600 ha in 2019), graszaden (11.300 ha), peulvruchten (3.500 ha), overige gewassen (bijvoorbeeld graszoden) (5.600 ha) en braak (8.000 ha). Handelsgewassen zijn planten die gewoonlijk niet direct voor consumptie worden verkocht omdat ze voor hun eindgebruik industrieel moeten worden verwerkt. De volgende handelsgewassen worden onderscheiden: Blauwmaanzaad, Cichorei, Hennep, Karwijzaad, Winter en zomer koolzaad, Raapzaad, Lijnzaad, Sojabonen, Vlas, Zonnebloemen en Overige handelsgewassen. Tussen 2015 en 2018 is het totaal areaal van deze overige akkerbouwgewassen gelijk gebleven, maar in 2019 steeg het met 3.300 ha tot 41.000 ha.



Rustgewassen op akkerbouwbedrijven

Het aandeel rustgewassen in het bouwplan van de Nederlandse akkerbouwbedrijven is de afgelopen tien jaar met vijf procentpunten afgenomen tot 43%. Het aandeel rustgewassen is het laagst in de IJsselmeerpolders, maar ook in andere akkerbouwgebieden staat dit aandeel onder druk.

Afname aandeel rustgewassen
Hoogsalderende gewassen zijn meestal wortel- of rooigewassen die veel van de grond vragen. De lager salderende gewassen - vaak maaigewassen - zijn over het algemeen gunstig voor de structuur, gezondheid en het organisch stofgehalte van de bodem. Deze gewassen zijn een voorwaarde om de hoogsalderende gewassen te kunnen blijven telen, en worden daarom ook wel ‘rustgewassen’ genoemd (Smit en Jager, 2018). Granen, graszaad, handelsgewassen, peulvruchten, groenbemestingsgewassen, grasland en groenvoedergewassen (exclusief snijmais) zijn aangemerkt als rustgewassen.

De oppervlakte van de rustgewassen op de Nederlandse akkerbouwbedrijven is afgenomen van bijna 230.000 ha begin deze eeuw tot bijna 200.000 ha in 2019 (zie figuur). Het aandeel van deze gewassen in het bouwplan van de akkerbouwbedrijven lag tot tien jaar geleden dicht tegen de 50%, en is daarna geleidelijk afgenomen tot 43% in 2019. Een deel van de teruggang heeft te maken met het wegvallen van kleinere akkerbouwbedrijven in 2016 (wijziging registratie) en ging vooral ten koste van het areaal graan. Deels heeft de teruggang ook te maken met een verdere intensivering van het bouwplan, met name door meer groenten (waaronder uien) te telen.

Binnen het areaal rustgewassen zijn granen de belangrijkste teelt (64% in 2019) gevolgd door grasland (22%). Het gezamenlijk aandeel granen en grasland is in twintig jaar tijd met vijf procentpunten gestegen.



Areaal aardappelen vrij stabiel
De oppervlakte aardappelen - voor het inkomen het belangrijkste gewas op de akkerbouwbedrijven - schommelt door de jaren heen tussen 110.000 en 120.000 ha (figuur), het aandeel ligt rond de 25%. Het areaal suikerbieten is in de tijd wat afgenomen, evenals het aandeel (tot 13% in 2019), terwijl het areaal akkerbouwmatige groenten gestaag is gegroeid tot 43.000 ha in 2019 (aandeel 9%).

Grote regionale verschillen in aandeel rustgewassen
In de Veenkoloniën en Oldambt, en de Bouwhoek en Hogeland is het aandeel van de rustgewassen in het bouwplan van de akkerbouwbedrijven tussen 2000 en 2019 gedaald (zie figuur hieronder). Het aandeel liep het sterkst terug in de Veenkoloniën en Oldambt (tot 40% in 2019). In het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied bleef het aandeel gelijk (52%). Het intensieve bouwplan op de akkerbouwbedrijven in de IJsselmeerpolders betekent een beperkte ruimte voor rustgewassen: 29% in 2019, vrijwel gelijk aan het aandeel in 2000.

IJsselmeerpolders heeft meest gevarieerde en intensieve bouwplan
De verdeling van de teelt van poot-, consumptie- en zetmeelaardappelen is deels historisch gegroeid en hangt samen met de grondsoort en het klimaat. In de Bouwhoek en Hogeland bestaat de aardappelteelt vrijwel geheel uit pootaardappelen. Het aandeel van de pootaardappelteelt in het bouwplan is gestegen van 27% in 2000 tot 32% in 2019 (figuur). Naast aardappelen zijn granen (37% in 2019) en suikerbieten (12%) de hoofdgewassen. In de Veenkoloniën domineert de teelt van zetmeelaardappelen (figuur). In het totale bouwplan van de akkerbouwbedrijven in dit gebied is deze teelt goed voor een aandeel van 31%. Ook in dit gebied vormen granen (31%) en suikerbieten (16%) de andere hoofdgewassen.

Het bouwplan van de akkerbouwbedrijven in de IJsselmeerpolders is het meest gevarieerd en het meest intensieve van de vier akkerbouwgebieden (zie figuur). Tussen 2000 en 2019 is het aandeel van de aardappelteelt nauwelijks gewijzigd (30% in 2019), maar is het aandeel van de pootaardappelen gestegen. Ook het aandeel van de akkerbouwmatige groenten (vooral uien) is toegenomen van 17% in 2000 tot 24% in 2019. In het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied nam de aardappelteelt in 2019 21% van het bouwplan op de akkerbouwbedrijven in, vrijwel evenveel als in 2000 (figuur). In deze periode is de teelt van akkerbouwmatige groenten toegenomen van 8% naar 12%, en is daarmee op gelijke hoogte gekomen met het aandeel suikerbieten.






Referenties
Toelichting:
De land- en tuinbouwbedrijven worden getypeerd op basis van de aandelen van de Standaardopbrengst (SO) per groep van producten in het totaal. Een bedrijf is een akkerbouwbedrijf als meer dan twee derde van het aantal SO afkomstig is van de akkerbouw. Van het totale akkerbouwareaal (531.900 ha in 2019) is 70% geconcentreerd op de 11.000 akkerbouwbedrijven.

Regionaal gezien is de Nederlandse akkerbouw vooral geconcentreerd in vier groepen van landbouwgebieden (op basis van de CBS-indeling van 14 groepen van landbouwgebieden): het grootste areaal ligt in het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied (25%), gevolgd door de Veenkoloniën en Oldambt (20%), IJsselmeerpolders (14%) en Bouwhoek en Hogeland (8% in 2019). In deze gebieden is het akkerbouwareaal grotendeels (80%) in gebruik op de akkerbouwbedrijven. We hebben de vier groepen van landbouwgebieden onderling vergeleken. Echter binnen een zo’n groep kunnen ook verschillen zijn, wat met name geldt voor Veenkoloniën en Oldambt.

Referentie:

EC (Europese Commissie), 2018. Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de Europese Unie. COM(2018) 757 final. Europese Commissie Brussel, 22 november 2018

Kamp, J., S. van Berkum, H. van Laar, W. Sukkel, R. Timmer en M. van der Voort (2008). Perspectieven van sojavervanging in voer; Op zoek naar Europese alternatieven voor soja. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. Lelystad, oktober 2008

LNV, 2020. Brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Kamerstuk 31 532, nr. 253. Den Haag, 1 september 2020

LNV, 2020. Rapportage Nederlands mestbeleid 2019. Publicatie-nr. 0620-041. Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag, juni 2020

Smit, B. en J. Jager (2018). Schets van de akkerbouw in Nederland: Structuur-, landschaps- en milieukenmerken die een relatie hebben tot biodiversiteit. Notitie 2018-074. Wageningen Economic Research.



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


Top of page