Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Sectors > Land- en tuinbouw
     
Land- en tuinbouw
Select a theme
Algemeen

Economie

Maatschappij

Milieu

 
 
  
  
   
Select an indicator
Contactpersoon
Martien Voskuilen
070 3358328
 

Deze informatie voor andere sectoren
  • Land- en tuinbouw

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >

Areaal - Land- en tuinbouw

Grondgebruik
1/13/2022

Het areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven is in 2020 uitgekomen op 1,814 mln. ha (tabel). Per saldo is het areaal cultuurgrond vanaf 2016 nauwelijks veranderd. Maar over een langere periode, tussen 2000 en 2020, is het areaal met gemiddeld 0,4% per jaar verminderd. Van het totaal areaal cultuurgrond is nu 53,9% in gebruik als grasland (blijvend, tijdelijk en natuurlijk grasland), 11,4% voor groenvoedergewassen, 29,0% voor akkerbouwland, 5,1% voor opengrondstuinbouw en 0,6% voor glastuinbouw.

Het aandeel rustgewassen in het bouwplan van de Nederlandse akkerbouwbedrijven is de afgelopen tien jaar met vijf procentpunten afgenomen tot 42%. Het aandeel rustgewassen is het laagst in de IJsselmeerpolders, maar ook in andere akkerbouwgebieden staat het aandeel onder druk.

Tussen 2014 en 2020 is het totaal areaal eiwitrijke gewassen toegenomen met 3.900 ha tot 23.500 ha. De toename heeft mede te maken met de invoering van de vergroeningsmaatregelen in 2014, meer in het bijzonder het ecologisch aandachtsgebied (EA).




Toelichting
De basis voor de oppervlakte cultuurgrond is de Landbouwtelling. De oppervlakte agrarisch terrein volgens de CBS-statistiek bodemgebruik is veel groter dan het areaal cultuurgrond volgens de Landbouwtelling. Dit is het gevolg van onder meer verschillen in definities en afbakening. Zo is de definitie van agrarisch terrein ruimer en worden daar ook bijvoorbeeld erven en tuinen toe gerekend, cultuurgrond daarentegen is de oppervlakte waarop de gewassen staan. De afbakening van de Landbouwtelling is eveneens beperkter, aangezien niet alle gebruikers van landbouwgrond zijn opgenomen in de Landbouwtelling.

Het areaal cultuurgrond in gebruik bij de geregistreerde land- en tuinbouwbedrijven is in 2016 eenmalig sterk afgenomen door de wijzigingen in de registratie van de land- en tuinbouwbedrijven. Ten opzichte van 2015 daalde het areaal met circa 30.000 ha tot 1,82 mln. ha, een krimp van 1,6%.

Tabel 1 Agrarisch grondgebruik (1.000 ha), 2000-2020 a
20002010201820192020Verschil (%) 2019-2020
Grasland en voedergewassen1,249.51,232.91,203.11,181.61,184.40.2
    Waarvan grasland1,036.7995.3987.1983.4977.5-0.6
    snijmais205.3230.8205.6187.4195.84.5
Akkerbouw634.4542.1516531.9526.8-1
    Waarvan granen225.7218.8167.6179.8173.6-3.5
    aardappelen180.2158.3165167.5165.6-1.1
    suikerbieten110.970.685.279.281.52.9
    overig117.694.598.2105.5106.20.7
Tuinbouw open grond81.187.194.393.293.10
    Waarvan groenten22.424.526.125.6261.5
    fruit20.619.520.420.419.9-2.2
    bloembollen22.523.327.627.227-0.8
    boomkwekerij12.616.916.916.716.70.1
Tuinbouw onder glas10.510.391010.14
    Waarvan groenten4.2555.35.65.5
    sierteelt5.94.83.53.83.92.9
Cultuurgrond, totaal1,975.51,872.31,822.41,816.31,814.5-0.10
a Peildatum 15 mei.
Bron: CBS-Landbouwtelling.

Beperkte daling areaal grasland mede door derogatie
De totale oppervlakte grasland is in 2020 heel licht (0,6%) gedaald tot ruim 978.000 ha (zie tabel). Binnen het areaal grasland wordt onderscheid gemaakt in blijvend, natuurlijk en tijdelijk grasland. Blijvend grasland is grasland dat minimaal vijf jaar achtereen op hetzelfde perceel wordt geteeld, met een opbrengst van meer dan vijf ton droge stof per ha per jaar. Voor natuurlijk grasland geldt onder meer een opbrengst van minder dan vijf ton droge stof per ha per jaar. Tijdelijk grasland is grasland dat maximaal vier jaar achtereen op hetzelfde perceel wordt geteeld. In 2020 is het areaal blijvend grasland met 0,5% gestegen tot 694.000 ha, het areaal natuurlijk grasland steeg met 2% tot 78.000 ha en het areaal tijdelijk grasland nam met 5% af tot 205.000 ha.

Sinds de invoering van de derogatie in 2006 - de mogelijkheid om meer stikstof per ha uit dierlijke mest te gebruiken - is het areaal grasland nauwelijks afgenomen: tussen 2005 en 2019 met 22.000 ha, ofwel 2,2%. Een derogatiebedrijf moet minimaal 80% van het areaal landbouwgrond gebruiken als grasland (voor 2014 was dat 70%). Deze eis in combinatie met de grote deelname aan de derogatie heeft waarschijnlijk bijgedragen aan de beperkte daling van het areaal grasland. In 2020 hebben zich 17.000 bedrijven aangemeld voor de derogatie, met een gezamenlijk landbouwareaal van 765.000 ha waarvan 668.000 ha grasland (87%; LNV, 2021e). Dat is 68% van het totaal areaal grasland. De derogatie heeft als gevolg dat het areaal snijmais is afgenomen.

Ruim voldoende blijvend grasland voor vergroeningseis
Sinds 2015 zijn landbouwers verplicht vergroeningsmaatregelen uit te voeren om in aanmerking te komen voor de directe betalingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Een van de maatregelen is het in stand houden van blijvend grasland, ofwel grasland dat minimaal vijf jaar niet in de vruchtwisseling is opgenomen. Natuurlijk grasland (zie hiervoor) dat aan de vijfjareneis voldoet, valt ook onder de definitie van blijvend grasland van de vergroening. Als het aandeel blijvend grasland op het totaal landbouwareaal 5% of meer afneemt ten opzichte van de referentieratio moet Nederland een omzetverbod en herstelplicht invoeren. De referentieratio is het aandeel blijvend grasland op het totaal landbouwareaal in het referentiejaar (2012). De referentieratio bedraagt 40,97%. Tussen 2015 en 2017 is het aandeel blijvend grasland met 1 à 2% gedaald ten opzichte van de referentie; daarna is het aandeel gestegen tot 41,91% in 2020 (RVO, 2021a). In alle jaren is dus ruimschoots voldaan aan de vergroeningseis voor het behoud van blijvend grasland. Deze eis geldt op nationaal niveau. In het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn is een vergelijkbare maatregel opgenomen, maar dan op bedrijfsniveau: graasdierbedrijven moeten in 2027 op minimaal 70% van het areaal een rustgewas telen (zie hierna), waarvan minstens de helft bestaat uit permanent grasland (LNV en IenW, 2021).

Lichte afname areaal akkerbouw
Na een behoorlijke uitbreiding van het akkerbouwareaal in 2019 (16.000 ha) is het areaal in 2020 licht afgenomen (1%), met ongeveer 5.000 ha tot 527.000 ha (tabel). De daling van het areaal komt vooral voor rekening van de granen, waarvan het areaal met ruim 6.000 ha kromp tot iets onder de 174.000 ha. Daarmee komt het aandeel van granen in 2020 uit op 33%. Het areaal aardappelen is met 2.000 ha afgenomen tot bijna 166.000 ha in 2020, ofwel 31% van het akkerbouwareaal. Het areaal suikerbieten is in 2020 met 2.300 ha uitgebreid tot 81.500 ha (15% van het totale akkerbouwareaal). Cosun heeft het toewijzingspercentage voor 2022 vastgesteld op 105% (tegen 102% in 2021). De hogere toewijzing hangt samen met de lagere suikervoorraden, een lagere suikerproductie in 2021 dan gepland en de gunstige marktontwikkeling (Cosun, 2021). Het areaal akkerbouwgroenten is gestaag toegenomen, van 46.000 ha in 2000 tot meer dan 64.000 ha in 2020, wat neerkomt op een jaarlijkse groei van 1,7%. De akkerbouwgroenten waren in 2020 goed voor 12% van het akkerbouwareaal.

Areaal tuinbouw open grond gelijk
Het areaal opengrondstuinbouw is in 2020 met 93.100 ha praktisch gelijk aan het voorgaande jaar. Over een langere periode is het areaal opengrondstuinbouw geleidelijk gegroeid (circa 1% per jaar). Het totaal areaal opengrondstuinbouw beslaat nu 5,1% van het grondgebruik, tegen 4,1% in 2000.

Opnieuw toename tuinbouw onder glas
Het glastuinbouwareaal is tussen 2011 en 2015 sterk gekrompen (ruim 1.000 ha) als gevolg van economisch slechte jaren voor deze sector. Na een stabilisatie van het glasareaal in 2017-2018 rond de 9.000 ha, is het areaal glas in 2019 en 2020 met respectievelijk 700 en 400 ha gestegen tot 10.100 ha (tabel). Voor een deel kan de groei van het areaal worden toegeschreven aan een sterke verbetering van de inkomens in de glastuinbouw na 2013. Zo lag het aantal verleende vergunningen voor nieuwbouw van kassen in de jaren 2016-2019 een factor 1,4 boven het gemiddelde in de periode 2012-2015. Het vergunde nieuwbouwareaal steeg van ongeveer 50 ha per jaar in 2012-2015 tot 150 ha in de jaren 2016-2019. Dit is echter maar een deel van de verklaring voor de sterke toename van het glasareaal in 2019/2020, omdat er ook kassen worden vervangen en afgebroken. Een andere factor is een betere registratie van deze sector in de Landbouwtelling.


Rustgewassen op akkerbouwbedrijven
Een van de maatregelen uit het ontwerp van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn is het verplicht opnemen van rustgewassen in het bouwplan, eenmaal in de vier jaar vanaf 2023 en eenmaal in de drie jaar vanaf 2027 (LNV, 2021). Rustgewassen zijn over het algemeen gunstig voor de structuur, gezondheid en het organisch stofgehalte van de bodem. Het zijn bijna altijd zogenaamde maaigewassen (zoals graan en grasland) met een vrij laag saldo. De rustgewassen zijn een voorwaarde om de hoogsalderende gewassen, meestal wortel- of rooigewassen die veel van de grond vragen, te kunnen blijven telen (Smit en Jager, 2018). Granen, graszaad, handelsgewassen, peulvruchten, groenbemestingsgewassen, grasland en groenvoedergewassen (exclusief snijmais) zijn aangemerkt als rustgewassen.


Afname aandeel rustgewassen
De oppervlakte van de rustgewassen op de Nederlandse akkerbouwbedrijven is afgenomen van bijna 230.000 ha begin deze eeuw tot 196.000 ha in 2020 (zie figuur). Het aandeel van deze gewassen in het bouwplan van de akkerbouwbedrijven lag in de periode 2000-2009 dicht tegen de 50%, en is daarna geleidelijk afgenomen tot 42% in 2020. Een deel van de teruggang heeft te maken met het wegvallen van kleinere akkerbouwbedrijven in 2016 (wijziging registratie) en ging vooral ten koste van het areaal graan. Deels heeft de teruggang ook te maken met een verdere intensivering van het bouwplan, met name door meer groenten (waaronder uien) te telen.

Aandeel rustgewassen varieert sterk tussen gebieden en bedrijven
Het hiervoor genoemde aandeel van de rustgewassen geldt voor het gemiddelde akkerbouwbedrijf, maar tussen gebieden en type bedrijven varieert het sterk. Zo was in 2020 in het bouwplan van zetmeelbedrijven (met een 1 op 2 teelt van zetmeelaardappelen) 25% ingeruimd voor rustgewassen (tegen 32% in 2010). Het intensieve bouwplan op de akkerbouwbedrijven in de IJsselmeerpolders betekent een beperkte ruimte voor rustgewassen: 29% in 2019 (tegen 32% in 2010). In het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied ligt het aandeel vrij stabiel boven de 50%.

IJsselmeerpolders heeft meest gevarieerde en intensieve bouwplan
De verdeling van de teelt van poot-, consumptie- en zetmeelaardappelen is deels historisch gegroeid en hangt samen met de grondsoort en het klimaat. In de Bouwhoek en Hogeland bestaat de aardappelteelt vrijwel geheel uit pootaardappelen. Het aandeel van de pootaardappelteelt in het bouwplan is gestegen van 27% in 2000 tot 32% in 2019 (figuur). Naast aardappelen zijn granen (37% in 2019) en suikerbieten (12%) de hoofdgewassen. In de Veenkoloniën domineert de teelt van zetmeelaardappelen (figuur). In het totale bouwplan van de akkerbouwbedrijven in dit gebied is deze teelt goed voor een aandeel van 31%. Ook in dit gebied vormen granen (31%) en suikerbieten (16%) de andere hoofdgewassen.

Het bouwplan van de akkerbouwbedrijven in de IJsselmeerpolders is het meest gevarieerd en het meest intensieve van de vier akkerbouwgebieden (zie figuur). Tussen 2000 en 2019 is het aandeel van de aardappelteelt nauwelijks gewijzigd (30% in 2019), maar is het aandeel van de pootaardappelen gestegen. Ook het aandeel van de akkerbouwmatige groenten (vooral uien) is toegenomen van 17% in 2000 tot 24% in 2019. In het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied nam de aardappelteelt in 2019 21% van het bouwplan op de akkerbouwbedrijven in, vrijwel evenveel als in 2000 (figuur). In deze periode is de teelt van akkerbouwmatige groenten toegenomen van 8% naar 12%, en is daarmee op gelijke hoogte gekomen met het aandeel suikerbieten.

Meer grasland in het bouwplan
Binnen het areaal rustgewassen zijn granen de belangrijkste teelt (63% in 2020) gevolgd door grasland (23%). Het aandeel van grasland is in de afgelopen tien jaar met zeven procentpunten gestegen. Grasland in het bouwplan van een akkerbouwbedrijf kan in de vorm van samenwerking met een veehouder, waarbij de veehouder het grasland in gebruik heeft en de akkerbouwer de grond van de veehouder in gebruik neemt voor bijvoorbeeld de teelt van aardappelen.

Areaal aardappelen vrij stabiel
De oppervlakte aardappelen - voor het inkomen het belangrijkste gewas op de akkerbouwbedrijven - schommelt door de jaren heen tussen 110.000 en 120.000 ha, het aandeel ligt rond de 25%. Het areaal suikerbieten is per saldo in de tijd wat afgenomen, evenals het aandeel (tot 13% in 2020), terwijl het areaal groenten gestaag is gegroeid tot 46.000 ha in 2020 (aandeel 10%).


Eiwitrijke gewassen

Nationale Eiwitstrategie
Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft eind 2020 de Nationale Eiwitstrategie uitgebracht. De hoofdlijnen zijn vergroting van de teelt van bepaalde eiwitrijke gewassen, ontwikkeling van alternatieve eiwitbronnen, benutting van eiwitten uit reststromen en een verschuiving van dierlijke naar plantaardige eiwitconsumptie. De teelt van eiwitrijke vlinderbloemige gewassen in Nederland zou in 2030 een omvang van 100.000 ha moeten hebben (LNV, 2020).

Eiwitrijke gewassen volgens de Europese Commissie
Nederland heeft met het uitbrengen van de eiwitstrategie gehoor gegeven aan de oproep van de Europese Commissie (EC) om een nationale strategie op te stellen om Europa meer zelfvoorzienend te maken in haar behoefte aan plantaardig eiwit. In 2018 heeft de commissie een verslag uitgebracht over de ontwikkeling van de productie van plantaardige eiwitten in de Europese Unie:
Het verslag is gericht op eiwitrijke gewassen met een ruweiwitgehalte van meer dan 15% (oliehoudende zaden: koolzaad, zonnebloempitten en sojabonen; peulvruchten: bonen, erwten, linzen, lupinen enz.; en voederleguminosen: voornamelijk luzerne en klaver), die ongeveer een kwart van het totale aanbod van plantaardig ruweiwit in de EU beslaan. Hoewel granen en grasland een wezenlijk deel uitmaken van het totale EU-aanbod van plantaardige eiwitten, zijn ze niet opgenomen in dit verslag, vanwege een laag eiwitgehalte respectievelijk weinig relevantie voor de markt. (EC, 2018).

Nederlands areaal eiwitrijke gewassen in 2020 ruim 23.000 ha
Het areaal eiwitrijke gewassen (volgens bovenstaande indeling) is vanaf de eeuwwisseling tot tien jaar terug geleidelijk gedaald tot onder de 20.000 ha; vanaf 2014 is het areaal weer gestegen met 3.900 tot 23.500 ha in 2020, en is daarmee terug op het niveau van begin deze eeuw. De toename is in hoofdzaak te danken aan de voederleguminosen (bijna 90% luzerne) die ingezet kunnen worden voor de in 2014 ingevoerde GLB-vergroeningsmaatregelen, en in dit geval het ecologisch aandachtsgebied (EA). In 2020 bestaat 48% van het areaal eiwitrijke gewassen uit peulvruchten, 37% uit voederleguminosen en 15% uit oliehoudende gewassen (figuur).

Teelt van eiwitrijke gewassen in het verleden
Al eerder is binnen Europa getracht de teelt van eiwitrijke gewassen te bevorderen. In 1978 heeft de Europese Gemeenschap een gemeenschappelijke marktorganisatie voor erwten, veldbonen en luzerne in het leven geroepen. In de periode 1978-1992 is ondersteuning van de eiwitrijke gewassen gegeven via een gegarandeerde minimumprijs voor de teler en een subsidie voor de veevoederfabrikant. Dat zorgde voor een forse uitbreiding van de productie. Om de uitgaven van het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) te stabiliseren, is tussen 1988 en 1992 voor akkerbouwgewassen een systeem van garantiedrempels ingevoerd; overschrijding van de productie boven een bepaalde hoeveelheid werd de prijssteun verlaagd. In 1993 werden - als uitvloeisel van de Mac Sharry-hervorming van het GLB - de minimumgarantieprijzen afgeschaft en vervangen doorhectaretoeslagen. Ook de gebruikssubsidie voor de verwerkers van eiwitgewassen werd afgeschaft, waardoor de marktprijs vanaf dat moment bepaald wordt door vraag en aanbod op de internationale markt (Kamp et al., 2008).

Door de subsidies werd de teelt van eiwitrijke gewassen in Nederland sterk uitgebreid, tot bijna 70.000 ha in 1987 (zie figuur). Daarvan bestond 55.000 ha uit peulvruchten, waarvan 36.000 ha erwten. Door de afschaffing van de prijsondersteuning en teelttechnische problemen (bij erwten) is de teelt van eiwitrijke gewassen na 1987 weer snel gedaald (Kamp et al., 2008). Met een areaal van ruim 15.000 ha zit de teelt in 2019 nog wel onder maar bijna weer op het niveau in 1980.







Referenties
Deze tekst, met uitzondering van de passages over rustgewassen en eiwitrijke gewassen, is afkomstig uit de publicatie Staat van Landbouw en Voedsel; Editie 2021. Wageningen Economic Research en CBS; Nota 2022-013.

Toelichting:
De land- en tuinbouwbedrijven worden getypeerd op basis van de aandelen van de Standaardopbrengst (SO) per groep van producten in het totaal. Een bedrijf is een akkerbouwbedrijf als meer dan twee derde van het aantal SO afkomstig is van de akkerbouw. Van het totale akkerbouwareaal (531.900 ha in 2019) is 70% geconcentreerd op de 11.000 akkerbouwbedrijven.

Regionaal gezien is de Nederlandse akkerbouw vooral geconcentreerd in vier groepen van landbouwgebieden (op basis van de CBS-indeling van 14 groepen van landbouwgebieden): het grootste areaal ligt in het Zuidwestelijk Akkerbouwgebied (25%), gevolgd door de Veenkoloniën en Oldambt (20%), IJsselmeerpolders (14%) en Bouwhoek en Hogeland (8% in 2019). In deze gebieden is het akkerbouwareaal grotendeels (80%) in gebruik op de akkerbouwbedrijven. We hebben de vier groepen van landbouwgebieden onderling vergeleken. Echter binnen een zo’n groep kunnen ook verschillen zijn, wat met name geldt voor Veenkoloniën en Oldambt.

Referentie:


EC (Europese Commissie), 2018. Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de ontwikkeling van plantaardige eiwitten in de Europese Unie. COM(2018) 757 final. Europese Commissie Brussel, 22 november 2018

Kamp, J., S. van Berkum, H. van Laar, W. Sukkel, R. Timmer en M. van der Voort (2008). Perspectieven van sojavervanging in voer; Op zoek naar Europese alternatieven voor soja. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving B.V. Lelystad, oktober 2008

LNV, 2020. Brief van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Kamerstuk 31 532, nr. 253. Den Haag, 1 september 2020

Smit, B. en J. Jager (2018). Schets van de akkerbouw in Nederland: Structuur-, landschaps- en milieukenmerken die een relatie hebben tot biodiversiteit. Notitie 2018-074. Wageningen Economic Research.



Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief


Top of page