Mijn agrimatie
v

Agrimatie - informatie over de agrosector

Agrimatie > Thema's > Macro-economie
     
Macro-economie
Kies een indicator
Betekenis van de agrosector - Land- en tuinbouw

Aandeel agrocomplex in Nederlandse economie stabiel
18-12-2017

De agrarische sector - opgebouwd uit de sectoren landbouw, tuinbouw en visserij - is nauw verweven met andere delen van de economie. Enerzijds is agrarische productie nauwelijks mogelijk zonder toelevering van goederen en diensten zoals veevoer, kunstmest, energie, machines, stallen, kassen, veterinaire- en zakelijke diensten; anderzijds vergen ruwe agrarische producten verwerking in de voedingsmiddelenindustrie, handel en distributie voordat ze op het bord van de consument terechtkomen. Het geheel van directe en indirecte activiteiten rond de agrarische sector kan als een samenhangende keten worden gezien, die vaak wordt aangeduid als het agrocomplex.

De keten in beeld
In deze benadering staan de primaire sector en de verwerkende industrie van voedings- en genotmiddelen centraal en wordt de omvang van het agrocomplex bepaald door wat de primaire sector en de verwerking nodig hebben van toelevering en logistiek om de producten voort te brengen. De primaire sector is samen met de verwerking feitelijk de spin in het grotere web van agro-activiteiten. Deze insteek is historisch gegroeid, en vooral ingegeven door de wens een keten van ‘grond tot mond’ in beeld te brengen. Dit verklaart ook waarom de invoer en verwerking van producten als koffie, thee en cacao is inbegrepen in de cijfers, maar de export van toeleveranciers aan buitenlandse primaire producenten en verwerkers niet.

De agrosector is onderdeel van de bredere bio-economie, waarbij bio-economie is gedefinieerd als het geheel van activiteiten dat is gerelateerd aan de productie van biomassa en het omzetten daarvan in voedsel, veevoer, energie, materialen (textiel, pulp, papier) of grondstoffen voor bijvoorbeeld de chemische industrie. De omvang van de bio-economie is (nog) niet goed te meten wegens het ontbreken van betrouwbare data die op een uniforme wijze worden verzameld. Dit geldt met name de meer innovatieve toepassingen van biomassa.


Agrocomplex levert 8% van de nationale toegevoegde waarde
De toegevoegde waarde van het totale agrocomplex bedroeg in 2015 - het meest recente jaar waarvoor de cijfers beschikbaar zijn - ruim 48 miljard euro. Daarmee draagt het totale agrocomplex voor 8% bij aan de totale nationale toegevoegde waarde. Het aandeel in het nationale totaal nam van 2010 tot 2013 licht toe, omdat het agrocomplex relatief minder dan de overige economische sectoren te lijden had van de financieel-economische crisis vanaf 2008. In 2014 en 2015 groeide de nationale economie wat harder dan de agrosector, waardoor het aandeel van het agrocomplex licht daalde.

Een deel van de activiteiten van het totale agrocomplex hangt samen met de verwerking van geïmporteerde grondstoffen, zoals cacao, granen en tabak. De toegevoegde waarde van het agrocomplex gebaseerd op buitenlandse grondstoffen is zo’n 3% van de nationale toegevoegde waarde; die van het agrocomplex gebaseerd op binnenlandse grondstoffen ligt het laatste decennium rond de 5%. De toename in het aandeel van het agrocomplex in de nationaal toegevoegde waarde komt vooral voor rekening van de verwerking en distributie van buitenlandse grondstoffen. In het deel van het agrocomplex dat gebaseerd is op binnenlandse grondstoffen, leveren toelevering en primaire productie de grootse bijdrage aan de toegevoegde waarde.

Agrocomplex zorgt voor ruim 8% van de nationale werkgelegenheid
De werkgelegenheid in het totale agrocomplex is gegroeid tot zo’n 603.000 arbeidsjaren in 2015, dat is circa 8,5% van de nationale werkgelegenheid. Deze groei vindt volledig plaats bij het agrocomplex op basis van binnenlandse grondstoffen, waar in alle schakels - behalve de distributieschakel - de werkgelegenheid is toegenomen.



Akkerbouw grootste deelcomplex
Het akkerbouwcomplex is het belangrijkst binnen het totale agrocomplex met een aandeel van zo’n 46% in de toegevoegde waarde en circa 39% in de werkgelegenheid in 2015. Dit komt door het grote aandeel van de invoer van koffie, thee en cacao, en van plantaardige oliën en vetten. Ook de invoer van veevoergrondstoffen wordt toegerekend aan het akkerbouwcomplex. Op de tweede plaats staat het grondgebonden veehouderijcomplex (aandelen respectievelijk circa 18% en 24%). Het glastuinbouwcomplex, het intensieve veehouderijcomplex, het opengrondstuinbouwcomplex en het visserijcomplex hebben elk een aandeel van 16% of minder in de toegevoegde waarde van het agrocomplex en een aandeel van hooguit zo’n 13% in de werkgelegenheid. Het totale grondgebonden landbouw- en tuinbouwcomplex is in 2015 goed voor ongeveer 6% van de nationale toegevoegde waarde en de nationale werkgelegenheid.

Export levert grote bijdrage aan toegevoegde waarde en werkgelegenheid agrocomplex
Een belangrijk deel van de activiteiten van het agrocomplex hangt samen met de export van onbewerkte en bewerkte agrarische producten. De export draagt voor circa drie kwart bij aan de toegevoegde waarde en de werkgelegenheid van het op binnenlandse grondstoffen gebaseerde agrocomplex. Voor het totale agrocomplex is de afhankelijkheid van export iets lager: ruim 70%. Per deelcomplex loopt de exportafhankelijkheid licht uiteen: van 66% voor het akkerbouwcomplex tot 80% voor het glastuinbouwcomplex.

Emissiebijdrage agrocomplex
De milieudruk van het agrocomplex - uitgedrukt in CO2-equivalenten - schommelt rond de 19% in aandeel van het nationale totaal. In absolute zin is de uitstoot in 2015 toegenomen, vooral als gevolg van de sterke stijging van het aantal melkkoeien en een toegenomen energiegebruik. Gerekend vanaf 2010 is er een lichte daling in de absolute uitstoot van broeikasgassen.

Binnen het totale complex is het aandeel van de grondgebonden veehouderij in de emissies met circa 40% het grootst, dit is het gevolg van de methaanuitstoot van koeien en de relatieve zwaarte van methaan in bijdrage aan het broeikasgaseffect (factor 21 zwaarder volgens de normen van het IPPC-1997). De glastuinbouw heeft een aandeel van zo’n 26%, toe te schrijven aan het energie-intensieve karakter van de teelten. De opengrondstuinbouw heeft met zo’n 4% het laagste aandeel in de uitstoot van broeikasgassen.

Wegens een revisie van de cijfers kunnen deze afwijken van eerder gepubliceerde cijfers.








Kies een sector
Contactpersoon
David Verhoog
070-3358180
 

Alles over
  • Algemeen
    >
  • Economie
    >
  • Maatschappij
    >
  • Milieu
    >
Meer informatie
Toelichting indicator
Thema omschrijving
Beleidsinformatie
Archief



naar boven